Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed."

„Vaarwel!"

„Tot wederziens!"

Hierop scheidden zij.

De Comanchen trokken het bosch in.

Nog een tijdlang hoorde men hunne stappen, het gedreun der paardenhoeven en de bellen die de honden om den hals hadden onder de sombere bogen van het woud weergalmen, maar eindelijk werd alles stil en bevonden de jagers zich alleen.

Zij waren met hun tienen, welgewapende en vastberaden mannen, die geen gevaar vreesden; en zij zetten hunne reis in alle gerustheid voort.

„Zijn wij nog ver van het eiland waar de troep van den RoodeCeder gekampeerd ligt?" vroeg Valentin aan den Sachem der Coras.

„Nauwlijks vier mijlen," antwoordde de Arends-Veer. „Als wij zoo vele omwegen niet te maken hadden, zouden wij er over een uur kunnen zijn; maar nu komen wij er niet voor het laatste gezaDg van den mawkawis."

„Goed; gij, AreDds-Veer en don Pablo, moet met de dochter van den Squatter vooruit marcheeren."

„Vreest gij iets bijzonders?" vroeg don Pablo.

„Niets; maar ik zou gaarne eenige oogenblikken praten met de Gazelle."

„Ik begrijp u."

De beide mannen gaven hunne paarden de sporen en reden met Ellen vooruit.

Valentin wendde den teugel en nam aan de rechterhand van de Witte-Gazelle plaats, die in diepe gedachten voortreed en zich met haar paard scheen bezig te houden.

De inlichtingen die door Curumilla aan Valentin gegeven waren, hadden hem des te dieper getroffen, daar hij niets van den haat der Spaansche jegens Éllen begreep.

Elk gevoel, wat het ook wezen mag, heeft eene oorzaak, iedere haat heeft eene reden van bestaan; die oorzaak en reden waren hem onverklaarbaar. Te vergeefs zocht hij in zijn geheugen een of andere gebeurtenis die het vreemde gedrag der Witte-Gazelle kon rechtvaardigen, of althans verontschuldigen, hij vond niets dat hem op het spoor kon helpen.

Wel herinnerde hij zich Ellen meermalen in den omtrek der Paso del Norte, de haciënda van don Miguel de Zarate, gezien te hebben; ook herinnerde hij zich dat don Pablo haar bij eene enkele gelegenheid, toen zij zijne hulp noodig had, een kleinen dienst bewezen had; maar hiermede hielden hare betrekkingen met den jongman op.

Hij meende zeker te zijn, dat de Squatters dochter, ofschoon zij dicht bij de haciënda Paso del Norte woonde, haar voor hare komst in het dorp der Comanchen nooit had gezien. Evenwel was hij met de liefde van don Pablo voor Ellen bekend, eene liefde daar de jongman

Sluiten