Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleef alleen, om nog eenigen tij d in zij ne laatste doodstuipen te spartelen.

Zoodra Yalentin en diens kameraden achter den eersten heuvel verdwenen waren, kwam er een aantal Apachen onder geleide van den Roode-Ceder en de Gazelle uit de naaste boschjes te voorschijn.

Een der Apachen klom haastig in den boom, sneed het touw door, en de Spanjaard, door een aantal uitgestrekte armen opgevangen, werd zacht op den grond nedergelaten.

Hij gaf geene teekenen van leven meer.

Het meisje en de Roode-Ceder haastten zich om hem hulp toe te brengen, ten einde zoomogelijk bij den zwaar verminkten en naar het scheen reeds ontzielden bandiet de laatste levensvonk weder op te wekken.

Maar al hunne pogingen schenen nutteloos te zijn.

Pedro Sandoval bleef koud en stijf in de armen zijner vrienden.

Te vergeefs had men den loopenden knoop om zijn hals losgemaakt, de blauwe aderen van zijn hoofd veranderden niet, het bloed wilde niet meer terugstroomen. Alles scheen met hem gedaan.

Als laatste hopelooze poging, nam een der Apachen een zak metkoud water en goot dien over het bloedige hoofd van den Spanjaard uit.

De kille aanraking van het frissche water bracht reactie teweeg, en deed hem het gansche lichaam trillen.

Eene diepe zucht ontsnapte met moeite aan zijne beklemde borst, terwijl de lijder even de oogen opende en de omstanders flauw maar kennelijk aankeek.

„Goddank!" riep de Gazelle, „bij is niet dood."

De bandiet staarde het meisje aan met dien verglaasden en verstrooiden blik, die het gewisse kenteeken is van een naderend einde; een pijnlijke glimlach plooide zich om zijne paarse lippen en hij murmelde met eene zwakke nauwelijks hoorbare stem:

„Neen, ik ben niet dood, maar ik zal het spoedig zijn."

Daarop sloot hij de oogen weder en viel naar het scheen in zijne vorige gevoelloosheid terug.

De omstanders volgden met bezorgde blikken den loop van dezen vreeselijken doodstrijd.

De Witte-Gazelle fronste de wenkbrauwen, en naar den lijder bukkende bracht zij haar mond dicht aan zijn oor.

„Verstaat gij mij, Sandoval?" vroeg zij hem.

De bandiet bewoog zich stuipachtig, alsof hij door een electrieke batterij was getroffen; hij wendde zich werktuigelijk naar de Gazelle en opende flauw de oogen.

„Wie is daar bij mg?" vroeg hij.

„Ik, Pedro, kent gij mij niet, mijn oude kameraad?" zei nu de Roode-Ceder.

„Ja," antwoordde de roover onmiddellijk, „ik herken u wel, maar gij zijt het niet dien ik had willen zien."

„Van wie spreekt gij dan?"

„Van deNina; of zou zij mij verlaten hebben; zij, voor wie ik sterf?"

Sluiten