Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, ik heb u niet verlaten," riep de Gazelle schielijk, „uw verwijt doet mij onrecht, ik ben het die u het eerst ter hulp kwam. Hier ben ik, vader."

„Ach!" riep hij met een zucht van zelfvoldoening, „zijt gij daar, Nina, dat doet mij goed. God, zoo er ten minste een is, zal u beloonen voor hetgeen gij aan mij gedaan hebt."

„Spreek daar niet van, maar zeg mij waarom gij naar mii gevraagd hebt, vader."

„Noem mij zoo niet," viel de bandiet haar met drift in de rede, „ik ben uw vader niet."

Er volgde eene poos stilte.

Eindelijk hervatte de roover met eene nauwelijks hoorbare stem alsof hij in zich zei ven sprak:

„Dat is de hand Gods!".... Ja, Hij heeft het gewild dat in mijn laatste oogenblikken, de dochter van den vermoorde zelf een zijner voornaamste moordenaars zou helpen sterven!"

Hij schudde moedeloos het hoofd, zuchtte, en vervolgde treurig:

„Dat is Gods hand? "

De omstanders keken elkander zwijgend aan : een onwillekeurige vrees, of liever een bijgeloovige angst had hen bevangen en zij durfden den stervende niet te ondervragen.

Er verliepen eenige minuten.

„O! wat heb ik een pijn! " murmelde hij opeens; „mijn

hoofd brandt als een gloeiende oven!.... geef mij drinken!"

Men haastte zich hem water te geven.

Hij wees het bepaald van de hand.

„Neen," zeide hij, „geen water! geen water! ik moet mijne krachten terug bekomen."

„Wat verlangt gij dan?" vroeg de Roode-Ceder.

„Geef mij aguardiente (brandewijn)."

„O!" zei het meisje op smeekenden toon, „drink toch geen sterken drank, dat zal u dooden?"

„Mij dooden?" riep hij, „wel! ben ik dan niet reeds zoo goed als dood, arme onnoozele?"

De Gazelle wierp den Roode-Ceder een vragenden blik toe.

„Geef hem zijn zin maar," antwoordde deze, „het is toch gedaan met hem."

„Aguardiente!" herhaalde de lijder; „haast u, als gij niet wilt dat ik sterf eer ik gesproken heb."

Hij zakte machteloos ineen, en sloot de oogen.

De Roode-Ceder nam zijn kalebas en, ondanks de tegenkantingen der Gazelle, haastte hij zich om den roover den hals van de flesch in den mond te steken.

San do val dronk met gretige teugen.

„Ha!" riep hij met een zucht van voldaanheid, „nu krijg ik weder kracht... Ik heb nooit geweten dat sterven zoo moeielijk was ... Welnu, zoo er een God is, Zijn wil geschiede ... Roode-Ceder, geef

Sluiten