Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXX.

DES ROOVERS BIECHT.

Er verliepen eenige minuten, en de roover scheen met moeite zijne herinneringen te verzamelen eer hij sprak.

De Witte-Gazelle had geen oog van hem af en verbeidde zijne verklaring met gespannen nieuwsgierigheid.

Eindelijk nam de bandiet de kalebas, bracht haar aan zijne lippen en na er een grooten slok uit gedronken te hebben, zette hij die weder naast zich.

Een koortsachtig rood kleurde onmiddellijk zijne loodblauwe wangen, zijn blik scheen te herleven en hij sprak met eene vastere stem dan men van hem zou hebben verwacht:

„Luister wel toe, mijn kind, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult. Ik ga sterven; op zulk een oogenblik liegt men niet. De woorden die ik spreken zal zijn waar, gij zult mij thans leeren kennen."

Hij hield een poosje op en begon toen opnieuw.

„Ik was niet altijd een roover der woestijn, een tijger in menschengedaante, een van die ellendelingen daar men naar willekeur jacht op maakt als op wilde dieren. Neen ! er is een tijd geweest toen ik jong en schoon en rijk was. Op dat tijdstip, thans reeds zoolang voorbij, heette ik Wal ter Steepleton en was ik zoo rijk, dat ik mijn eigen fortuin niet wist. Gij hebt mij altijd voor een Spanjaard gehouden en iedereen dacht het, maar gij hebt u bedrogen evenals de anderen; ik ben een burger uit de Yereenigde Staten, de afstammeling van eene eerwaardige, sinds lang te New-York gevestigde Puriteinsche familie. Mijne ouders stierven reeds toen ik nog geen twintig jaar was, en lieten mij hun gansche vermogen na. Meester van een onmetelijk fortuin, verbond ik mij met al de slechte sujetten in de stad; twee inzonderheid, werden mijne intieme vrienden en wisten zich in korten tijd zoo geheel van mij meester te maken, dat ik niets meer deed dan op hun raad en aansporing. De een was even als ik uit New-York, de ander was een Mexicaan. Beiden waren, als ik, jong, schoon en rijk, althans zij schenen het, want zij vermorsten hun geld als water. Deze vrienden heetten... doch waarom zou ik u hunne namen noemen ?" hervatte hij; „gij hebt alleen met mij te doen en niet met hen. Op zekeren dag kwam de Mexicaan bij mij, hij had een brief van zijne familie ontvangen, die hem naar huis terugriep om in den priesterstand te treden; maar mijn vriend wilde New-York niet verlaten, of althans kon dit niet op dat oogenblik. Om welke reden heb ik nooit geweten; alleen dit weet ik, dat wij een maand later, alle drie genoodzaakt waren naar Mexico de wijk te nemen, tengevolge van een jammerlijk treurspel, daar mijne twee vrienden de voornaamste rol in hadden gespeeld, en waarbij zij bloedige sporen achterlieten. Wat er eigenlijk gebeurd was, herbaal ik u, heb ik nooit geweten."

Sluiten