Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak zou afloopen. Nadat ik de kaarten lang genoeg doorgeschud had, gaf ik ze aan mijn tegenpartij om af te nemen. Met de rechterhand op het spel, keek don Sebastian mij nog eens aan met een spotachtigen blik.

„Het is nog niet te laat om u te bedenken," zeide hij ironiek.

Ik haalde de schouders op zonder te antwoorden.

Hij nam af.

Ik begon de kaarten te verdeelen.

Bij de vierde kaart had ik reeds verloren. Ik was geruineerd."

Hier moest de roover ophouden. Sedert eenige oogenblikken was zijne stem zwakker geworden en had hij zich niet dan met de uiterste inspanning verstaanbaar kunnen uitdrukken.

„Wat drinken!" zeide hij, zoo zacht dat de Gazelle het nauwelijks hoorde.

Zij wilde hem water geven.

„Neen," riep hij, „brandewijn!"

De Gazelle gehoorzaamde en Sandoval dronk weder een paar teugen.

„Alles was gedaan," hervatte hij met eene vaste stem, maar met fonkelend oog en den brandenden koortsgloed op het gelaat. „Diep in mijn hart verkropte ik mijne woede en met een glimlach op de lippen maakte ik mij gereed om de tafel te verlaten."

„Wacht even, mijnheer," riep mijn tegenstander, „de partij is nog niet uit."

„Wat wilt gij meer," antwoordde ik; „gij hebt immers alles gewonnen ?"

„Ja," riep hij met een glimp van trotsche minachting, „dat is wel zoo. ik heb die ellendige, nietswaardige som van u gewonnen, maar gij hebt nog een inzet te wagen."

„Ik begrijp u niet, mijnheer."

„Misschien niet! maar hoor eens: er liggen hier achttien maal honderd duizend piasters op tafel, dat is een ongehoord fortuin, daar tien familiën ruim van zouden kunnen leven."

„Welnu," antwoordde ik verwonderd.

„Welnu, die verspeel ik opnieuw, zoo ge wilt. Met uw geëerd verlof, mijnheer, ik ben op dit oogenblik aan de winnende hand. Ik laat mijn fortuin niet los nu ik het eenmaal beet heb."

„Alles wat er op dien noodlottigen avond gesproken werd," riep de roover, zich zei ven in de rede vallende, „staat mij zoo vast in het geheugen alsof ik het gisteren eerst gehoord had."

Na deze aanmerking hervatte bij zijn verhaal:

„Ik heb niets meer om te verspelen, mijnheer, dat weet gij wel," antwoordde ik op fleren toon, „ik begrijp derhalve niet wat gij bedoelt."

„Dit," antwoordde hij zonder de minste verlegenheid: „gij bemint dona Isabel Izaguirre?"

„Wat raakt dat u?" riep ik.

„Volgens de loopende geruchten moet gij haar binnen eenigedagen trouwen," vervolgde hij onverstoord.

Sluiten