Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overlaadden met al die kleine beleefdheden, die voor gekrenkte zielen zoo welkom zijn.

Valentin en generaal Ibanez waren in druk maar fluisterend gesprek.

De twee Indianen, Curumilla en Mookapec, wandelden vooruit, hielden het oog op de omstreken en strekten de karavaan tot gidsen.

Don Pablo en Ellen gingen naast elkander; zij alleen onder den kiemen troep schenen gelukkig, en op hunne aangezichten zweefde van tijd tot tijd een vroolijke lach.

De twee jongelieden waren ook de eenigsten in de gansche karavaan, die de geledene moeielijkheden konden vergeten voor de genoegens van het oogenblik.

Gedurende de terechtstelling van Sandoval, was Ellen uit het gezicht gehouden; zij wist dus niets van het gebeurde en geen akelige schrikbeelden verdrongen bij haar het genoegen dat zi> ondervond in het samenzijn met hem, dien zij stilzwijgend boven anderen had uitverkoren.

Een van de voorrechten der liefde is de vergetelheid.

De beide jongelieden, geheel aan zichzelven overgelaten, dachten aan niets anders dan aan het geluk van samen te zijn en samen te keuvelen.

Het woord liefde was tusschen hen nimmer uitgesproken, en toch ademde er genoeg van in hunne blikken en gesprekkenzoo konden zij met elkander verwonderlijk wel en goed over weg en ontbrak het hun aan geen stof tot praten.

Ellen vertelde aan don Pablo hoe zij met dona Clara, onder bescherming der beide Canadeesche jagers en den Sachem der Coras, aan het kamp van den Roode-Ceder waren ontsnapt."

,,He!' riep don Pablo, „de jagers, daar gij van spreekt, waar zijn die toch gebleven?"

„Helaas!" antwoordde Ellen, „de een is door de Apachen gedood en de andere "

„De andere ?" herhaalde don Pablo.

'5?^.?. hern niet, daar ginder?" riep zij. „O! hij is een voortreffelijk mensch, en met lijf en ziel aan mij gehecht."

Don Pablo keerde zich min of meer ontevreden om, er kwam een gevoel van sombere jaloezie bij hem op.

Hij kreeg den jager juist in het oog, die eenige passen achter hen reed.

Dat oprecht en eerlijk gelaat, waar een zweem van zwaarmoedigheid over verspreid lag, trof den jongen Mexicaan en hij gevoelde terstond berouw over zijne vrees.

Eensklaps reed hij naar den jager terug, terwijl Ellen hem met een goelijken lach naoogde.

Toen hij bij den Canadees kwam, stak hij hem de hand toe.

„Ik zeg u dank," zeide hij welgemeend, „voor hetgeen gii zoo moedig voor haar gedaan hebt."

Sluiten