Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik om uwe familie. De kinderen zijn voor de zonden hunner ouders niet verantwoordelijk. Gij zijt edel, gij zijt vroom en goed, ik bemin u, Ellen, ik bemin u."

„Denkt gij, dat ik daaraan twijfel?" antwoordde zij; „neen, ik weet dat gij mij liefhebt, don Pablo, ik ben er zeker van, en als ik het u bekennen moet, de liefde, hoe hopeloos zij wezen mag, maakt mij gelukkig. Nu dan, vergeet mij, don Pablo, gij moet mij vergeten, don Pablo, gij moet."

„Nooit!" herhaalde hij hartstochtelijk.

„Hoor eens, don Pablo, gij zijt met uwe kameraden op weg om mijn vader te zoeken; en wanneer gij hem, wat zoo goed als zeker is, vindt, zullen mijne tranen of gebeden hem niet redden, gij zult hem dooden."

„Helaas," mompelde de jonkman.

„Gij begrijpt wel," zeide zij bewogen, „dat ik bij den dood van hem aan wien ik mijn leven verschuldigd ben, geen onverschillig toeschouwer kon blijven, niet waar? Die man, dien gij zoo haat en aan wien gij u wreken wilt, is mijn vader; hij was altijd goed voor mij, hij heeft altijd voor mij gezorgd. Wees voor mij ook goed, don Pablo."

„Spreek slechts, Ellen, wat gij ook eischt, ik zal het doen, dat zweer ik u."

Zij staarde hem aan met een zonderlingen blik.

„Spreekt gij waarheid? Kan ik op uw woord staat maken?" vroeg zij met aarzelende belangstelling.

„Beveel! ik zal gehoorzamen."

„Dezen avond, als wij het punt hebben bereikt waar wij zullen kampeeren en als uwe kameraden ingeslapen zijn, dan moet...

„Dan moet," vervolgde hij, daar hij zag dat zij ophield. „Dan moet gij mij laten ontvluchten, don Pablo, dat bid ik u."

„Och, arm kind!" riep hij, „u laten ontvluchten? maar wat zou er van u worden, zoo alleen in de eenzame woestijn?"

„God zal mij bewaken."

„Helaas! gij verlangt naar uw dood."

„Wat maakt dat uit? als ik mijn plicht maar gedaan heb."

„Uw plicht. Ellen."

„Moet ik mijn vader niet zien te redden?"

Don Pablo antwoordde niet.

„Gij aarzelt gij weigert " zeide zij verwijtend.

„Neen," antwoordde hij, „als gij het eischt, zal het gebeuren: gij zult vertrekken."

„Ik dank u," zeide zij verheugd, hem de hand gevende.

De jonkman bracht die aan zijne lippen.

„Nu," hervatte zij, „nog een dienst."

„Spreek, Ellen!"

Zij nam het kleine doosje dat zij in haar boezem verborgen had en gaf het aan don Pablo.

„Neem dit doosje," zeide zij, „ik weet niet wat er in is; ik heb

Sluiten