Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik u nooit had toegedacht; gij hebt uw rol gespeeld met een uitstekend talent."

Elk dezer schampere woorden ging den ongelukkigen jonkman als een dolk door het hart en was hem eene gruwzame foltering.

„Ja," riep hij gansch ontmoedigd, „de schijn is tegen mij; ik zou u te vergeefs van mijne onschuld trachten te overtuigen, gij zoudt mij niet gelooven, Senora, en toch neem ik God tot mijn getuige, dat ik alles voor u gedaan heb wat menscheliikerwiize mogelijk was om u te redden."

„Gij zijt dan wel ongelukkig geweest, mijnheer," hervatte zij op sarcastischen toon, „want gij zult moeten toestemmen, dat al de pogingen, daar gij u zoo op beroemt, zonderling verkeerd zijn uitgekomen." J

Shaw slaakte een diepen zucht.

„Mijn God!" riep hij, „wat had ik meer kunnen doen om u mijne trouw te bewijzen?"

„Niets," antwoordde zi] koel.

„O, Senora."

„Mijnheer," viel zij hem op vasten en spijtigen toon in de rede, „doe mij het genoegen, als ik u bidden mag, en spaar uwe jammerklachten, aan welker oprechtheid ik niet gelooven kan, daar gij zulke sprekende bewijzen tegen u hebt; want de schijnheilige betui®1?J'e5..va!ï een verrader zijn nog' veel hatelijker dan het verraad zeli. Gij zijt geslaagd, wat kunt gij meer verlangen? Geniet uw triomf. ik zeg u nog eens, ik heb u niets te verwijten, gij hebt gehandeld zooals uw instinct en uwe opvoeding u hadden ingegeven;

iZ1*^ ,U ze^ven getrouw gebleven en hebt uwe antecedenten niet verloochend. Als ik u thans iets verzoeken mag, laten wij dan een gesprek afbreken dat tot niets leiden kan, daar het u nooit gelukken zal om mijne overtuiging aangaande u te veranderen; volg het voorbeeld uwer kameraden, ga slapen en laat mij ongestoord met mijne droefheid alleen."

Shaw stond als van den donder getroffen door deze woorden, die om den toon waarop zij werden uitgesproken geen wederlegging toelieten ; hij zag de diepte der vernedering, tegen welke hij vergeefs kampte, en eene dwaze verbolgenheid overmeesterde hem.

Dona Clara liet het hoofd weder op de beide handen zinken en weende opnieuw.

De jonge Squatter kon het niet aanhooren en snikte op ziine beurt tegen wil en dank.

„O! Senora," zeide hij, „hoe kunt gij toch lust hebben om mij zoo te folteren! Zou ik u verraden hebben, ik, die u zoo liefheb!"

Dona Clara rees overeind, hooghartig en onverbiddelijk.

„Gij mij liefhebben, mijnheer," riep zij spottend. „Ja, gij bemint mij, mijnheer, als de lieden van uw slag op de wijs der wilde dieren, die hunne prooi naar hun hol slepen om haar te verscheuren; uwe liefde is de liefde van een tijger!"

Sluiten