Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jagers volgden thans denzelfden weg, maar nauwelijks waren zij aan land of het spoor verdween opnieuw.

Wat ook de gidsen doen mochten en hoe zorgvuldig zij naar alle zijden rondkeken, zij vonden niets dat hen verder aanwees welken weg de Roode-Ceder, nadat hij uit het water was gekomen, gekozen had.

Valentin stond met de beide handen op zijn karabijn geleund en in gespannen nadenken verdiept, nu eens naar den grond, dan weder in de lucht kijkende, als iemand die een onverklaarbaar raadsel zocht op te lossen, toen hij een arend met witten kop groote kringen zag beschrijven boven een verwarden hoop opeengestapelde rotsen, een weinig rechtsaf van de plaats waar hij stond.

„Hm!" riep de jager, terwijl hij met de oogen den vogel volgde, die bij het rondgieren zijne kringen steeds kleiner maakte, „waar zou die arend toch op azen? dat zou ik wel eens willen weten."

Met het afgesproken sein waarschuwde hij zijne kameraden, nam zijne buks op schouder en trad haastig naar de plaats boven welke de roofvogel steeds rondgierde.

Valentin deelde aan de twee Indianen de vermoedens mede die in zijn geest waren opgekomen, en de drie mannen begonnen met veel moeite de rotsen te beklauteren, die in de grilligste wanorde op elkander gestuwd een tamelijk hoogen berg vormden te midden der overigens vlakke prairie.

Toen zij den top bereikten, bleven de jagers een poos staan om uit te hijgen. De arend, door hunne onverwachte komst afgeschrikt, scheen zijn prooi voor het oogenblik te laten varen en verhief zich naar de bovenlucht.

Zij bevonden zich thans op een soort van terras, dat in vroeger tijd blijkbaar tot begraafplaats voor een of ander vermaard Indiaansch opperhoofd had gediend, want verscheidene door menschenhanden samengebrachte steenen, lagen hier en daar voor een tamelijk groote holte of grot van omtrent tien ellen diepte verspreid.

Valentin boog zich over den rand dezer holte, doch door den ingewikkelden vorm der opening was het in de grot zoo donker, dat hij er niets in zien kon; alleen werd zijn reukorgaan onaangenaam getroffen door een walgelijken stank als van dierlijke verrotting, die hem op eens in den neus drong.

„Hé! wat kan dat zijn?" riep hij.

Zonder spreken had Curumilla reeds een houtfakkel ontstoken, dien hij den jager aangaf.

Valentin bukte opnieuw in de grot en keek.

„O!" riep hij, „het paard van den Roode-Ceder! Ha! kameraad, heb ik u eindelijk weer! Maar hoe drommel heeft hij met dit doode beest naar boven kunnen klimmen, zonder ergens een spoor na te laten? — Och!" vervolgde hij een oogenblik later, „hoe kan ik toch zoo dom wezen! het paard was nog niet dood toen hij het herwaarts bracht, hij zal het levend door de opening hebben geworpen, pardi! dat is het. Fijn overlegd! dat moet ik bekennen, die Roode-Ceder

Sluiten