Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het is niet voorzichtig om zich tegen het vallen van den nacht onder dat dichte geboomte te wagen," zeide hij; „wellicht zitten zij die wij zoeken daar verscholen om ons te overrompelen. Als gij mij gelooven wilt, zullen wij hier kampeeren."

Niemand had iets tegen dit voorstel in te brengen; bijgevolg werd het kamp opgeslagen.

De nacht was geheel gedaald; de Mexicanen, na hun maal te hebben gedaan, hadden zich in hunne dekens gewikkeld om te slapen. Alleen Yalentin, Curumilla en de Arends-Veer zaten nog bij het vuur in ernstig gesprek en hielden het oog op de omstreken.

Op eens greep Yalentin den Ulmen woest bij den kraag en drong hem op den grond neer te bukken; oogenblikkelijk blonk er een bliksemvlam, er knalde een geweerschot en een kogel vloog in het vuur, die de brandhouten met duizend vonken deed uiteenspatten.

De Mexicanen, door deze losbranding plotseling ontwaakt, stonden op en grepen hunne wapens.

De drie jagers waren reeds verdwenen.

„Wat beteekent dat?" riep don Miguel, die vruchteloos in de duisternis poogde rond te zien.

„Weet ik het?" zei de generaal, „als ik mij niet bedrieg zou ik denken dat wij aangevallen worden."

„Aangevallen!" herhaalde de haciendero, „en door wie?"

„Door wie! wel door vijanden waarschijnlijk," riep de generaal; „maar de vraag is, wie zijn die vijanden? dat kan ik u niet zeggen."

„Waar zijn onze vrienden toch?" vroeg don Pablo.

„Op de jacht, denk ik," antwoordde Ibanez.

„Wacht! daar komen zij reeds terug," zei don Miguel.

Werkelijk kwamen de jagers terug, maar zij waren niet alleen, zij brachten een gevangene mede.

Die gevangene was Ourson de roover.

Ourson was een kort, dik, ineengedrongen man met een aapachtig leelijk gezicht, dat voor bepaald dom had kunnen doorgaan, zoo zijne oogen, die als twee karbonkels schitterden, er geen uitdrukking van duivelsche slimheid aan hadden gegeven.

Zoodra hij in het kamp was, liet Yalentin hem de armen stevig op den rug binden, en beschouwde hem met gespannen aandacht.

De bandiet stond dit onderzoek met de grootste onverschilligheid door, die hoe meesterlijk ook gespeeld, nochtans den Franschman niet kon verschalken.

„Hum!" mompelde laatstgenoemde in zichzelven, „die kerel ziet er slim genoeg uit; ik zal weten of ik mij bedrieg. Wie zijt gij, gauwdief?" vroeg hij hem barsch.

„Ik!" riep de ander met een onnoozel gezicht.

„Ja, gij."

„Ik ben een jager."

„Een scalpenjager, denk ik," hervatte Yalentin.

„Waarom denkt gij dat?"

Sluiten