Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ah zoo!" riep Valentin wantrouwig. „En waar ergens is dat?"

„Wel! daar hij waarschijnlijk is."

„Dat is zeker; gij weet dus waar de Roode-Ceder is?"

„Ja."

„En zoudt gij ons bij hem willen brengen?"

„Met alle genoegen," riep de roover schielijk.

Valentin wendde zich naar zijne vrienden.

„Die man is een verrader," zeide hij, „hij is op ons afgezonden om ons een strik te spannen, daar wij ons niet in zullen laten vangen. Curumilla, sla een touw om een tak van dien kurkeik."

„Waarom dat?" vroeg don Miguel.

„Parbleu! om dien kerel op te hangen, die ons voor stumpers en domkoppen aanziet."

Ourson begon te beven van angst.

„Wacht een oogenblik," zeide hij.

„Waarom?" vroeg de jager.

„Wel! omdat ik nog niet wil opgehangen worden."

„Dat zal toch stellig gebeuren eer wij tien minuten verder zijn, kameraad; gij moet dus maar weten wat gij te doen hebt."

„Toch niet, toch niet; ik zeg u immers, dat ik u naar den Roode-Ceder wil brengen."

„Heel goed, maar ik wil er liever alleen naar toe gaan."

„Zoo als gij verkiest; laat mij dan maar loopen."

„Dat is zoo goed als onmogelijk."

„Waarom dat?"

„Ik zal bet u zeggen: als wij u de vrijheid teruggeven, zult gij aan dengene die u heeft uitgezonden gaan zeggen wat gij hier gezien hebt, en dat wil ik niet; overigens weet ik op dit oogenblik even goed waar de Roode-Ceder zich bevindt als gij."

„De Roode-Ceder verbergt zich n iet, hij is dus gemak kelij k te vinden."

„Zeer goed; ik geef u tien minuten tijd om uwe ziel aan God te bevelen, dat is meer dan gij verdient."

Aan den toon waarop de jager sprak, begreep Ourson wel dat het met hem gedaan was, hij nam dus moedig zijn besluit.

„Bravo!" riep hij, „goed gespeeld."

Valentin keek hem aan.

„Gij zijt een moedig hart," zeide hij, „ik wil iets voor u doen. Curumilla, maak zijn rechterarm los."

De Indiaan gehoorzaamde.

„Daar," zei Valentin, hem een pistool gevende, „schiet u zeiven dood, dat zal gauwer gaan en u minder doen lijden."

De bandiet greep het wapen met een duivelschen lach, en sneller dan eene gedachte mikte hij op den jager en gaf vuur.

Maar Curumilla had hem in 't oog gehouden.

Hij kloofde hem met een bijlslag de hersenpan.

De kogel floot Valentin schadeloos langs het oor.

„Dank u!" zei de bandiet en rolde op den grond.

Sluiten