Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelpte in haren val al de personen die er zich onder bevonden.

Hierdoor ontstond onder de Indianen zoowel als de jagers een oogenblik van de onbeschrijfelijkste verwarring, die de Roode-Ceder zich behendig wist ten nutte te maken om de tent uit te sluipen en een paard te bestijgen, dat de monnik voor hem gereed hield.

Op hetzelfde oogenblik echter toen hij weg zou rijden, versperde Shaw hem den doortocht.

„Houd op, vader!" riep de jonkman, stoutmoedig het paard bij den teugel grypende, „sta mij dit meisje af."

, Terug, vervloekte!" brulde de Squatter tandknarsend van woede, „terug!"

„Ik laat u niet door," riep Shaw; „o! dona Clara! geef mij dona Clara!"

De Roode-Ceder zag dat het met hem gedaan was.

Yalentin, don Miguel en hunne kameraden, eindelijk van de tent ontslagen, kwamen in der ijl aanloopen.

„Ellendeling!" brulde de Squatter.

En terwijl hij zijn paard op eens liet steigeren, gaf hij zijn zoon een geweldigen sabelhouw, zoodat Shaw op den grond neêrtuimelde.

Al de aanwezigen uitten een kreet van afgrijzen.

De gambusinos, in allerijl toeschietende om hun chef te helpen, stormden gezamenlijk met hem, als een wervelwind door de dichte massa der vijanden heen die hem den doortocht wilden beletten.

„O!" brulde don Miguel, „ik zal mijne dochter redden!" En terstond op een paard springende rende hij de bandieten achterna.

De jagers en Indianen lieten thans het brandende kamp aan enkele plunderaars over en volgden hem op de hielen.

Maar op eens gebeurde er iets ongewoons en onbegrijpelijks.

Een vervaarlijk onderaardsch gedonder liet zich hooren; de hollende paarden stonden plotseling, in volle vaart, stil op de sidderende beenen en brieschten van schrik, terwijl de jagers en Roodhuiden de blikken onwillekeurig ten hemel sloegen, en een kreet van ontzetting uit aller mond weergalmde.

„O!" riep de Roode-Ceder, op een toon van woede die zich niet laat beschrijven, „ondanks den hemel en de hel, zal ik ontsnappen!"

En hij dreef zijn paard de bloedige sporen in de flanken.

Het geteisterde dier hinnikte van smart, maar bleef onbeweeglijk staan.

„Mijne dochter! mijne dochter!" krijschte don Miguel terwijl hij vruchteloos den bandiet poogde te bereiken.

„Kom haar halen, hond!" brulde de Roode-Ceder. „Ik sta haar niet levend af."

Sluiten