Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote onderscheiding en vriendschap ontvangen werden. Het volgende zonderlinge voorval kan ik hier niet onvermeld laten.

Er mochten omtrent veertien dagen verloopen zijn kort na onze aankomst te Ceylon, toen mij de oudste zoon van den gouverneur het voorstel deed om met hem op de jacht te gaan, hetgeen ik zeer gaarne aannam. Hij was een groot, sterk man, en aan de warmte van dat klimaat gewend; ik echter werd in korten tijd en bij eene zeer matige beweging zóó vermoeid, dat ik, toen we in 't bosch gekomen waren, een heel eind achterbleef.

Juist wilde ik me aan den oever van een breeden stroom, die reeds eenigen tijd mijn aandacht getrokken had, neerzetten om wat uit te rusten, toen ik eensklaps op den weg, waarlangs ik gekomen was, een geruisch hoorde. Ik zag om en bleef bijna versteend van schrik staan, toen ik een ontzaglijken leeuw ontwaarde, die juist op me afkwam en mij niet onduidelijk liet merken, dat hij, zonder mij verlof te vragen, van plan was, mijn arm lichaam voor zijn ontbijt te doen dienen.

Wat te doen in dit vreeselijk oogenblik? Er bleef mij zelfs geen tijd tot nadenken over; mijn geweer was slechts met hagel geladen en ik had geen ander bij mij. Hoewel het niet mogelijk was, zulk een dier met dergelijke ammunitie te dooden, besloot ik toch op den leeuw te vuren, in de hoop hem te zullen doen schrikken, en misschien wel te verwonden. Daar ik echter in mijn angst niet eens wachtte tot de leeuw onder schot kwam, werd hij daardoor zóó woedend, dat hij met alle heftigheid op mij los kwam. Meer uit instinkt dan uit verstandelijke berekening, beproefde ik te ontvluchten; doch dit deed zijn felle woede nog toenemen, en, juist toen ik me omwendde, — en als ik er aan denk, loopt me nog een koude rilling over 't lijf, — stond ik vlak voor een grooten krokodil, die zijn muil al opensperde om mij te verslinden.

Sluiten