Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ik keek angstig om mij heen, terwijl ik tusschen de hooge hoornen, die er in het half duister spookachtig uitzagen, voortschreed. Elk oogenblik vreesde ik het gehuil van wolven te hooren. Niettemin stapte ik moedig voorwaarts, vol vertrouwen op de Voorzienigheid en op mijn gelukkig gesternte.

't Was bitter koud. Reeds begon ik den zoom van 't woud te bespeuren, en zag ik de roode lucht. Dat gaf mij nieuwen moed, en ik stond even stil om een pijp op te steken, toen plotseling een ontzettend groote wolf met een afgrijselijk gehuil zoo vlak op mij af sprong, dat ik niets kon doen dan instinktmatig mijn vuist in zijn open bek duwen. Ik stak die er zóó diep in, dat mijn arm er tot over mijn schouder in zat.

Hoe zou ik mij daaruit bevrijden? Ik was allesbehalve in een aangenamen toestand — met een wolf vlak tegenover mij — en we keken elkaar in 't geheel niet vriendelijk aan. Trok ik mijn arm terug, dan zou 't dier met nog grooter woede op mij aanvallen, dat zag ik wel in zijn vlammende oogen. Kortom, ik pakte hem bij zijn ingewanden, keerde deze vlug naar buiten, zooals men wel met een handschoen doet, en smeet hem toen op den grond, waar ik hem liet liggen.

Zoo iets kon ik nu minder goed tegen een dollen hond beproeven, die mij kort daarop in een nauwe straat te St.-Petersburg te lijf wilde. Loop wat je kan! dacht ik. Om des te sneller voort te komen, wierp ik mijn overjas uit en liep als een haas naar mijne woning. Ik liet mijn knecht de overjas halen, en bij mijn andere kleeren in de kast hangen.

Daags daarop verbaasde en beangstigde Jakob mij door den uitroep: „Om 's hemels wil, baron, uw overjas is dol geworden!" Ik liep er haastig heen, en vond al mijne kleeren door elkaar geworpen en aan stukken gescheurd. De man had volkomen gelijk, dat mijn overjas krankzinnig gewor,den was. Toen

Sluiten