Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Oost-Indië, en zeker minstens driehonderd mijl van land, toen mijn hond aansloeg. Een uur lang sloeg ik hem met verbazing gade en vestigde er de aandacht van den kapitein op; ik hield staande, dat wij nabij land moesten zijn, daar mijn hond wild rook. Dit veroorzaakte een algemeen gelach, maar deed mij niet van meening veranderen. Na veel heen en weer praten, zei ik den kapitein stoutweg, dat ik meer vertrouwen stelde in Tray's neus dan in de oogen van welken zeeman ook, en dat ik er dus honderd guinjes, de kosten van mijn overtocht, onder verwedde, dat wij binnen een half uur wild zouden vinden. Eerst dachten zij, dat ik niet wel bij 't hoofd was, maar eindelijk werd toch de weddenschap aangenomen.

Nauwelijks was dit beklonken, of eenige matrozen, die aan 't visschen waren, vingen een zeer grooten haai, die aan boord werd opgehaald en opengesneden. En wat vonden zij in de maag van het dier? Niets meer of minder dan zes koppel levende patrijzen. De dieren waren er zoo lang in geweest, dat een der hennen op vier eieren zat en een vijfde aan 't broeien was, toen de haai geopend werd. Zoo fijn was de lucht van mijn speurhond.

Bij mijn terugkeer kwam ik over land. In de haven van Calais, waar ik mij naar Engeland wilde inschepen, kwam juist een schip met Engelsche zeelieden aan, die krijgsgevangen waren. Ik vatte dadelijk het plan op om deze brave lieden hunne vrijheid weer te geven, hetgeen ik aldus volvoerde: ik maakte een paar groote vleugels, die elk veertig el lang en veertien el breed waren, en maakte die aan mijn schouders vast. Daarop vloog ik bij het krieken van den dag, toen iedereen, zelfs de wacht op dek, nog sliep. Toen ik over het schip zweefde, maakte ik drie enterhaken aan de toppen der masten vast, lichtte zoo 't schip gemakkelijk uit het water op en vloog naar Dover, waar ik binnen een half uur aankwam.

Sluiten