Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereik hunner patiënten waren, was er geen enkel sterfgeval, behalve van een oudje, waarop vader tijd beslag legde.

Daarop verliet ik Engeland en vestigde mij een poos in het zuiden van Frankrijk, met het plan om mij weer bij mijn regiment in Rusland te voegen.

Ik huurde daar een oud kasteel, welks eigenaar geruïneerd was, en had bosschen en een meer te mijner beschikking, ingeval ik mocht willen jagen. Hier had ik een leven als een vischje in 't water; ik had prettige buren, een flinken kok en leefde alleraangenaamst.

Gedurende mijn verblijf aldaar had ik een of twee zonderlinge avonturen, die gij misschien gaarne zult willen hooren.

Er zwommen eens in een poel, waar ik aan 't jagen was, eenige dozijnen eenden, doch zij waren te ver van elkaar verstrooid, dan dat ik kans zag meer dan één met een schot te raken. Tot overmaat van ramp had ik mijn laatste schot in 't geweer. Dit speet mij te meer, daar ik juist een groot gezelschap goede vrienden en bekenden bij mij ten eten zou vragen, en de eenden mij dan goed te pas zouden komen.

Daar bedacht ik juist, dat er nog een stukje spek van de meegenomen mondbehoefte in mijn weitasch overgebleven was. Dit maakte ik vast aan een tamelijk lang hondentouw, hetwelk ik uitrafelde, waardoor het minstens nog viermaal zoolang werd. Nu verschool ik me in 't riet van den oever, wierp mijn stukje spek uit en had 't genoegen weldra een eend te zien naderen, die het schrokkig inslokte. De anderen zwommen haastig hun gezel achterna, en de gladheid van 't stuk spek was zóó groot, dat het onverteerd aan de andere zijde voor den dag kwam en door de tweede werd ingeslikt. Nu volgde de derde en daarop volgden al de anderen. In een oogenblik had mijn stuk spek de reis door al de eenden gemaakt, zonder van het touw los te raken, zoodat ze allen, gelijk paarlen aan een snoer, er aan

Sluiten