Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Buitengewone vlucht op den rug van een arend.

Omtrent het begin der regeering van George den Derde bevond ik mij eens op het eiland Thanet, toen ik langs 't strand wandelende, de ruïne van een toren op een heuvel ontdekte. Zij was geheel met klimop bedekt en daar 't mij voorkwam, dat het gezicht op den top heerlijk moest zijn, besloot ik dien te beklimmen. Dit gelukte, doch toen ik den top bereikte, bespeurde ik, dat ik niet de eerste was, die dien tocht ondernomen had: smokkelaars waren er voor mij geweest, en mijne voet rustte op eene reeks van blazen met brandewijn of misschien ander gesmokkeld geestrijk vocht. Deze waren allen aan een lang touw vastgemaakt. Daar ik dit als een aardige vondst beschouwde, deed ik het touw om mijne schouders en ging verder aan het onderzoeken. Doch ik vond niets meer. In den top van den toren was echter in 't midden een rond gat, 't welk ik half vermoedde dat een doortocht verschafte naar de rotsen of naar een ander onderaardsch hol. Ik besloot zijne diepte te peilen door een steen naar beneden te werpen en naar de echo te luisteren. Ik vond spoedig een steen en mij over 't hol plaatsende, wierp ik dien naar beneden. Nauwelijks had ik dit gedaan, of ik hoorde beneden rumoer en plotseling steeg er een reusachtige arend uit de opening, die mij vastgreep en op zijne

Sluiten