Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Nu was het de vraag, waarheen? Markus was in die streken geheel onbekend; geld had hij niet bij zich behalve een paar stuivers en hij moest denken, dat, waar hij ook kwam, door de bemoeiing van den opperhoutvester zijn signalement wel bekend zou zijn. Het was ondertusschen avond geworden en een dichte nevel hing over het land. Weldra kwam hij aan een smal pad; hij ging erop en na eenigen tijd zag hij, dat hij zich vlak in de nabijheid van een kolenbrandershut bevond. De kolenbrander was juist van plan zijn avondmaal te gaan gebruiken, dat zijn vrouw gebracht had en beiden waren verwonderd een welgekleeden knaap in hun eenzaam verblijf te zien binnentreden. Markus had onderweg reeds een verhaal verzonnen, dat hij den mensclien vertelde en toen vroeg, hij om een nachtleger. Maar de kolenbrander zei: „In mijn ldeine hut is geen plaats voor een jongen heer uit de stad; als hij echter met mijn vrouw naar het dorp wil teruggaan, dan zal daar wel gelegenheid zijn." Markus was liever in de eenzaamheid gebleven; hij was bang onder menschen te komen en hield, daar hij geen goed geweten had, ieder voor een verrader. Maar hij kon toch den kolenbrander niet dwingen hem bij zich te houden en zeer aanlokkend zag die rookerige hut er ook niet uit. Hij volgde dus de vrouw naar het dorp, dat in een stillen hoek van het dal lag. Het was nu zelfs donker geworden. Toen zij voorbij het kleine dorpslogement gingen, kwamen daar juist

Sluiten