Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wachter, „dan kunnen ze lang wachten. Jullie bent immers de kinderen van stuurman Bastings, die van zijn laatste reis niet is teruggekeerd?"

„Ja, ja," riepen beiden als uit een mond, „heeft u vader gekend?"

„Of ik.... als jongen was hij de beste vriend van mijn jongsten broer.... hij is op zee gegaan, en wij zijn bij den ploeg gebleven .... hij was een beste kerel, een flinke zeeman....! En jullie moeke is ook gestorven? Kom je met je beidjes bij tante Trui?"

„Ik maar een paar dagen," riep Jan, ,,'k word zeeman, net als vader!"

„Zoo, zoo," zei de boer, den jongen op den schouder kloppend, „je lijkt precies op hem, en je zus op jullie moeke.... die heb ik ook wel eens gezien, maar heel lang geleden."

De boer sprak zachtjes eenige woorden met den baanwachter. — „Weet je wat, kinderen, laat dat koffertje maar staan, — ik zal 't vanmiddag wel meebrengen als ik terugkom van de markt te Hilversum; mijn karretje zal wel goed beladen zijn, maar zoo'n kistje kan er nog wel bij. Kun jullie goed loopen, wel anderhalf uur?"

„O ja, dat kunnen we best, als we niets te dragen hebben!"

„Nu dan moet je den weg maar te voet afleggen, want je ziet wel, dat er geen karretje komt; doe het maar zoetjesaan, — heb je ook een paar boterhammen bij je?"

„Ja," zei Treeske blijde, en liet haar pakje zien; „mevrouw van den dominee heeft er ons meegegeven; wij hebben er al van gegeten."

„Ook wat om te drinken? 't is een lange zonnige weg." Jan haalde uit zijn pakje een flesch met een kroesje te voorschijn; er was nog een beetje melk in.

„Drink die melk eerst op," zei de boer, „dan zullen we de flesch nog eens laten vullen in de boerderij hier tegenover, nietwaar Jansens?" De baanwachter kwam spoedig

terug met de gevulde flesch Ziezoo, en nu op pad,

— kalmpjes aan, hoor, want 't zal warm worden tegen

Sluiten