Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brieven van Jan ter lezing gaf, zij sprak nooit in het bijzonder over tante, zij klaagde nooit.

„Vraag haar niets," had moeder Roesting tot Mientje gezegd, „Treeske is een braaf meisje, zij lijkt precies op haar moeder, en die had het ook lang niet makkelijk met tante Trui." Zoo werd voor Treeske gezorgd en over haar gewaakt; had Moeke ook niet altijd gezegd: „onze God is een Vader van weduwen en weezen;?"

HOOFDSTUK IV. Lichtstralen.

Zomer en herfst waren voorbij; Treeske scheen zich meer te gewennen aan de kille omgeving bij tante Trui, vooral door de vriendschap met Mientje Roesting. Haar gezichtje was wel wat spitser en bleeker dan vroeger, zij werd stiller, maar niemand hoorde ooit een woord van klacht. De brieven aan Jan bleven steeds blijmoedig, zoodat Jan niet anders dacht of Treeske had het goed bij tante Trui. „Ik zou het niet bij tante Trui uithouden," vertelde hij wel eens aan den een of ander, „zij kijkt altijd even brommig, maar mijn beste zus is heel anders dan ik — mocht ik maar eens een dagje bij haar komen!"

Jan vergat in zijn brieven ook nooit de groeten aan tante Trui, en dat deed juffrouw Bastings genoegen. Zij zou wel eens graag zoo'n brief gelezen hebben, want zij had ook nog brieven van Jan's vader uit zijn jongensjaren, maar zij sprak er nooit met Treeske over, dus kon Treeske moeilijk tante's wensch raden; hoe gelukkig zou zij anders zijn geweest over dit bewijs van belangstelling!

Kerstmis naderde; er zou een mooie Kerstfeestviering zijn op den tweeden Kerstdag voor de kinderen van behoeftige gezinnen en de kinderen der Zondagsschool.

Sluiten