Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

incompetentie des rechters, verwart competentie en ontvankelijkheid. Vgl. ook H. R. 2 Maart 1866 hierna sub no. 76.

16. Een ander standpunt dan bij de voorafgaande is ingenomen bij de hier sub no. 17—21 volgende beslissingen:

1«. a. H. R. 12 Maart 1847 W. 793, R.spr. 25 § 82, v. d. Hon. B. R. 8 p. 377 nam aan incompetentie van den Kantonrechter in een louter personeele vordering van minder dan f 200.—, op grond dat eischer meer dan f 200.— van meerderen solidair te vorderen had, en nu niet die schuldvordering mocht splitsen in kleinere bedragen tegen elk debiteur afzonderlijk ageerend. Dit contra Adv.-Gen. Gregory, die (R.spr. 1.1. p. 401, v. d. Hon. 1.1. p. 382) uitdrukkelijk er op wees dat, zoo al eischer zijn inschuld niet mocht splitsen, dit slechts grond kon zijn om hem niet-ontvankelijk, doch niet om den Kantonrechter incompetent te verklaren.

IS. b. Voor zoover H. R. 3 Maart 1848 W. 895, R.spr. 30 § 14, v. d. Hon. B. R. 9 p. 301 juist verklaarde de beslissing in het arrest a quo Hof N.-Brab. 21 Sept. 1847 W. 852 dat n.1. voor het bepalen van den persoonlijken of zakelijken aard eener vordering, en hierdoor ook voor de competentie, niet in aanmerking kan komen dat gedeelte der vordering dat als nutteloos of overbodig moet beschouwd, — rijst de vraag of deze beide beslissingen wel in overeenstemming zijn met het beginsel dat de al dan niet toewijsbaarbeid (ontvankelijkheid) eener vordering niet van invloed is op haar aard en 's rechters competentie, aangenomen al dat een nuttelooze vordering niet toewijsbaar is wegens gemis van belang bij eischer (zie nu art. 56 lid 1 i. f. RV.). _ Een andere vraag is die of een overbodige bijvoeging bij een vordering meetelt ter bepaling der waarde van die vordering voor competentie of appellabiliteit, waaromtrent vgl. vóór art. 38 R. O.; o. a. Rb. Breda 16 Febr. 1875 W. 3852. Bij dit vonnis achtte de Rb. zich incompetent op grond dat het gedeelte deivordering dat haar competent zou maken, bij gemis van vorderingsrecht voor eischer vooralsnog, niet ontvankelijk was.

19. c. Hof N.-Brab. 24 Dec. 1839 R.spr. 4 § 61 nam incompetentie aan op grond van art. 757 Rv.

Sluiten