Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrokken zijn; dit omdat de rechter ook in dat geval alleen te beslissen heeft over de vordering tegen den Ned. Staat, zonder vreemde Staten in zijn beslissing te begrijpen, veelmin daaraan te onderwerpen. — Argumento a contrario schijnt hieruit te mogen worden opgemaakt, dat de H. R. de rechterlijke macht incompetent zou hebben geacht als een uitspraak was gevraagd over rechten en verplichtingen van een vreemden Staat, waaraan de Nederlandsche rechter geen bevelen heeft te geven. Vgl. Alg. Begins. XXI.

In het algemeen zal men, dunkt mij, hebben te onderscheiden tusschen het geval dat de rechter aan een der partijen in het geheel geen bevelen mag geven (grond voor incompetentie), en het geval dat hij dit wèl mag doen, doch alleen niet gerechtigd is het door eischer verlangde bevel te geven (grond voor nietontvankelijkheid). Hierbij worde nog in het oog gehouden dat degeen die, hoewel hem door den Nederlandschen rechter geen bevelen zouden kunnen worden gegeven, zich vrijwillig onderwerpt aan diens rechtsmacht, — wat b.v. zal moeten worden aangenomen voor den Ned. Staat —, zich op één lijn stelt met hem, wien die rechter wèl bevelen heeft te geven.

83. c. Een toepassing van het beginsel geformuleerd sub no. 24, en speciaal van de leer gehuldigd bij het sub no. 25 jo. 13 geciteerde arr. H. R. van 18 Maart 1853, is het volgende arrest: De bij een ter competentie der rechterlijke macht staande hoofdvordering als aanhangsel gevoegde eisch tot veroordeeling van het gedaagde bestuur om van het vonnis aanteekening te maken in den ligger en daarop den weg in geschil door te halen, staat, waar hij steunt op beweerde krenking van eigendomsrecht, eveneens ter competentie des rechters, daargelaten of bedoelde accessoire eisch is ontvankelijk en toewijsbaar, wat de competente rechter heeft te beoordeelen. Zoo H. R. 16 Maart 1877 W. 4096, R.spr. 115 § 40, v. d. Hon. B. R. 42 p. 152, G. st. 1335, W. B. A. 1455, casseerend Hof Arnhem 21 Juni 1876 W. 4009, R. B. 1876 D p. 105, G. st. 1301, W. B. A. 1421, bij welk laatste arrest de rechterlijke macht incompetent was ver-

Sluiten