Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is aangewezen. Vgl. ue Jonge, Adm. en Just. p. 66 v. b., p. 81 v. o. Vgl. ook Buys in Hand. Jur. Vereen. 1891 I p. 112 v. o.— Dit stelsel schijnt dan te moeten leiden tot een incompetentie vooralsnog, immers tot na de beslissing van het administratief gezag. Want, is deze laatste beslissing gevallen, dan zou de rechterlijke macht, haar inachtnemend, dezelfde vordering wèl mogen toe- of afwijzen. Zulk een incompetentverklaring vooralsnog werd, in een ander geval, uitgesproken door Ktg. Harlingen 8 Jan. 1851 W. 1367, waarbij vgl. de niet-ontvankelijkverklaring in het daaropvolgend vonnis van dit Ktg. van 14 Juli 1852 W. 1.1. — De vraag rijst nu of een incompetentverklaring vooralsnog bestaanbaar is, en of niet veeleer in zulk geval de vordering vooralsnog nietontvankelijk moest worden verklaard, zoo inderdaad het oordeel over een van haar onafscheidelijken grondslag voorloopig aan de rechterlijke macht is onttrokken. Vgl. hiervóór no. 9.

Tot ditzelfde resultaat, n.1. niet-ontvankelijkheid en geen incompetentie, komt men, als men aanneemt dat art. 1401 B. \V. niet ziet op overheidsdaden, die geen inbreuk maken op een burgerlijk recht. Vgl. hierna no. 64, 67 en 68.

4Ï. De arresten van 1857 en 1875, sub no. 44 vermeld, kunnen ook een uitvloeisel zijn van de opvatting dat het eindoordeel over de aangevallen overheidsdaad beide malen was gelaten aan het administratief gezag, in het geval van 1857 ten gevolge der toen geldende wetgeving op de militie (art. 2 wet 27 April 1820 Stbl. 11 jis. artt. 11, 15 en 126 der wet van 8 Jan. 1817 Stbl. 1); — in 1875, omdat volgens de — betwistbare meening van het arrest van den H. R. aan het administratief gezag was gelaten het eindoordeel over de vraag of aanwezig was de toestemming van den ambtenaar, hier vereischt voor de wettigheid van zijn ontslag. Mochten genoemde arresten inderdaad op de laatst aangewezen opvatting berusten, dan is het nog de vraag of het verblijven van het eindoordeel over de aangevallen daden aan het administratief gezag wel insluit incompetentie der rechterlijke macht voor de ingestelde vordering, en of dan niet veeleer de rechter ingevolge het hier bedoelde eindoordeel

Sluiten