Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(z.g. freies Ermessen) zou moeten beslissen dat de daad rechtmatig was, en art. 1401 B. M. hierom niet toepasselijk, zoodat de eisch moest worden ontzegd of' niet-ontvankelijk verklaard. Ygl. Alg. Begins. XIV 110. 10 en hieronder no. 48—52.

§ 9.

48. a. Waar zekere daad is overgelaten aan goedvinden of oordeel van eenig persoon (speciaal de administratie), moet behoudens bizondere wettelijke regeling — zie b.v. artt. 13 jo. 18 wet 9 Mei 1902 Stbl. 54, vroeger artt. 15 en 13 wet 9 Okt. 1841 Stbl. 42 —, in een beklag over zulke daad, respektievelijk in een vordering, waarbij een recht wordt beweerd dat slechts ingevolge de onwettigheid van zulk een daad kan ontstaan, de rechter zich niet incompetent, doch de vordering niet-ontvankelijk verklaren, casu quo ontzeggen. In dien zin van Idsinga, De Adm. Rechtspraak I (1893) p. 79—80 in de noot en dezelfde, Het Verslag der Staatscommissie, enz. (1899) p. 21. Vgl. met het oog op het Oostenrijksche en Pruisische recht Tezner, Zur Lehre von dem freien Ermessen (1888) p. 3—4, 20, 27, 29 31, 36, 56—57, denzelfde in Grünhut's Zeitschr. für das Priv. u. öffentl. Recht der Gegenwart 19 (1892) p. 327—330, 357 361; Bernatzik 1.1. 18 (1891) p. 159; v. Lemayer 1.1. 22 (1895) p, 451—452. Zie ook v. Sarwey, Das öffentl. Recht etc. p. 671; O. BaHR, Der Rechtsstaat (1864) p. 90, geciteerd bij J. A. Levy, Antir. Staatsrecht II, Adm. .Rechtspraak, p. 181—133; vgl. ook Levy zelf aldaar p. 302—303.

Bij het voorafgaande worde nog opgemerkt dat, waar het ontstaan van eenig recht of verplichting is afhankelijk gesteld van de aanwezigheid van zekere feiten naar het oordeel van een bepaald persoon, slechts dit oordeel en niet het bestaan dier feiten zelf ter zake dient voor de beslissing omtrent bedoeld recht of verplichting. Vgl. J. v. Gelein Vitringa in R. Mag. 19 (1900) p. 575—578, alsmede hierna sub. Alg. Begins. XIV no. 10 en XVII. Evenmin nu als in het algemeen de rechter zich

Sluiten