Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Aly. Begins. IX, X.

5 8. d. Art. 833 Rv. werd toepasselijk geacht in een geval, waarin van competentie in den techniscben zin (vgl. mijn Voorrede p. XI) geen sprake was, door Hof N.-Brab. 11 Nov. 1856 A\. 1861, R.spr. 56 § 75 (zie dit arrest nader op art. 2 R. O.), te vergelijken met het daarbij bevestigde vonnis Rb. Breda 20 Nov. 1855 W. 1717 en W. 1861, R.spr. 53 § 76.

79. e. Door Rb. Amst. 9 Jan. 1850 W. 1101, R. B. 1850 p. 270 (het slot van het vonnis), werd een voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid, die blijkbaar was bedoeld als een exceptie van incompetentie, naar die bedoeling als zoodanig behandeld. Ook Rb. Utrecht 3 of 10 Febr. 1864 W. 2583, R. B. 1865 p. 178, G. st. 660, W. B. A. 783; Rb. 's Hertog. 15 Maart 1901 W. 7735, G. st. 2642, en Rb.'s Grav. 9 Jan. 1906 W. 8327, behandelden een voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid als metterdaad een exceptie van incompetentie.

Omgekeerd werd een voorgestelde exceptie van incompetentie als metterdaad een van niet-ontvankelij kheid behandeld door Ktg. no. 1 Amst. 24 Aug. 1847 W. 848.

X. Concurreerende Competentie.

1. Concurreerende competentie ten opzichte van eenzelfde rechtsbetrekking als onderwerp van geschil, is, hoewel in het algemeen onwenschelijk, daarom nog niet onbestaanbaar. Zie b.v. art. 314 Rv., art. 37 lid 1 der Rijnvaartakte, wet van 4 April 1869 Stbl. 237, en de oud-Hollandsche regeling voor de complainte. Ook de ■uitdrukkelijke bijvoeging van „bij uitsluiting" in art. 2 R. O., overigens in navolging van het korrespondeerende Grondwetsartikel, kan geacht worden er op te wijzen dat competentie-opdracht aan den één, niet reeds uit zichzelf behoeft mee te brengen uitsluiting van een ander. — De bedoelde woorden, die in het tegenwoordige art. 2 R. O. misschien als overbodig kunnen worden beschouwd, zijn dit m. i. niet in het art. 2, zooals dit wordt voorgesteld m het Ontw. wijziging van 1905,

Sluiten