Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eisch tot van-waardeverklaring van een conservatoir beslag nooit zijn begrepen in de hoofdvordering. Zie ook Faure, Proc.recht I

3e ed. p. 255 v. b.

Bij het voorafgaande vgl. Hof Geld. 25 Juni 1851 W. 1311: de vordering tot amotie stelt in den regel die tot ontbinding met ontruiming op den achtergrond; de amotie is niet begrepen in de ontruiming. — Zij kan wèl zijn begrepen in gevraagde schadevergoeding. Zoo Hof Z.-Holl. 26 Juni 1871 W. 3347, bevestigend Rb. Gorinchem 13 Dec. 1870 W. 3368 (zie beide beslissingen op art. 39 R. O.).

48. N. Rb. Leeuw. 25 Mei 1905 W. 8246 p. 2 kol. 3 midd., vermeld hierna sub no. 31, onderstelt dat het bij een eisch tot eigendomsverklaring gevoegde verzoek tot bevel cian den bewaarder van de hypotheken en het kadaster (N.B. geen partij in het geding) om een bestaande te naam stelling door te halen en te vervangen door een andere, is een noodwendig accessoir der principale vordering. Beide werden toegewezen. Deze opvatting van een „noodwendig" accessoir schijnt te berusten op de meening, dat uit het eigendomsrecht voortspruit de verplichting van genoemden bewaarder tot te naam stelling voor den eigenaar en tot doorhaling van onjuiste inschrijvingen. Hieromtrent zie nader op art. 2 R. O. Zie ook Alg. Begins. XIX. — Bij dit no. vgl. hiervóór no. 5 a> h, e, — Was in het gegeven geval het accessoir karakter twijfelachtig, dit zou anders zijn als werd ingesteld een vordering tegen den bedoelden bewaarder zelf, gevoegd bij een eisch tot eigendomsverklaring.

1®. O. De vordering tot veroordeeling in de proceskosten wordt algemeen aangemerkt als een accessoir van het geding zelf, vgl. het slot van het arrest H. R. 27 Dec. 1878 W. 4334, R.spr. 120 § 32, v. d. Hon. B. R. 43 p. 425, R B. 1879 A p. 67 en de verdere jurisprudentie bij Léon—v. Rossem no. 6 op art. 56 A Rv. met Suppl. I. Zie ook Faube, Proc.recht II, 4e ed. p. 276, en de concl. O. M. vóór H. R. 23 Okt. 1896 W. 6876, enz. (zie het arrest hierna sub no. 52). Volgens deze conclusie anders Dalloz, Rép. i. v. appel civil no. 453. Dit schijnt een

Sluiten