Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rb. Leeuw. 25 Mei 1905 W. 8245-8246, P.v.J. 461—462, vgl. hiervóór sub no. 18. Het blijkt niet uit dit vonnis ot evenzoo zou zijn geoordeeld voor een hiertoe strekkende vordering afzonderlijk ingesteld. Zie daarover nader op art. 2 R. O.

Over de ontvankelijkheid der hier sub nos. 80 en 31 vermelde vorderingen of verzoeken tot doorhaling vgl. sub Alg. Begins. XIX.

33. B. "Uit de competentie voor de hoofdvordering volgt die voor de accessoire, waar de aard van deze laatste afhangt van dien der eerste, en de competentie zich regelt naar den aard der vordering. — Dit is het geval bij een accessoiren eisch tot schadevergoeding die, gevoegd bij een zakelijke hoofdvordering, ook zelf zakelijk is. Zie hieromtrent de jurisprudentie, vermeld hiervóór sub no. 13: H. R. 10 Jan. 1868 met Rb. Middelb. 24 Maart of April 1867, Rb. Utrecht 10 Sept. 1879, en voor de relatieve competentie Hof 's Hertog. 29 Nov. 1904 met Rb. Breda 16 Juni 1903.

33. C. Ook buiten de hier sub no. 32 behandelde gevallen neigt onze jurisprudentie tot de leer dat competentie voor de hoofdvordering meebrengt die voor de accessoire, waar geen speciale wetsbepaling in den weg staat. Zie de hier volgende nos. 34—36, waarbij vgl. ook no. 56 hierna.

341. a. Voor een accessoiren eisch tot scheiding en deeling, waarvoor op zich zelf de Nederlanclsche rechter niet competent zou zijn, is diens competentie afgeleid uit die voor de hoofdvordering (hereditatis petitio) door H. R. 29 Jan. 1892 W. 6146, R.spr. 160 § 28, v. d. Hon. B. R. 58 p. 58, P. v. J. 1892 no. 18 (contra concl. O. M., welke echter de accessoire vordering besprak als ware zij zelfstandig). Dit arrest zegt uitdrukkelijk dat deze accessoire eisch als zoodanig staat ter competentie van den rechter der hoofdzaak. De beslissing van den H. R. had hier dezelfde kunnen zijn, bij overweging dat, waar de uitzondering van art. 126 lid 12 Rv. niet toepasselijk is, omdat de Nederlandsche wet geen competentie opdraagt aan een buitenlandsch rechter (Alg. Begins. V), de regel van art. 126 lid 10 geldt, ook al voldoet de vordering zelf overigens aan de vereischten van het 12de lid.

Sluiten