Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de laatstbedoelde rechter zich eerst incompetent moet verklaren voor de accessoire vordering, om die later na verwijzing toch te moeten berechten. Het is echter op zijn minst twijfelachtig of de iure constituto de aangegeven redeneering kan opgaan, vgl. no. 54 hierna.

ƒ. Door Rb. Utrecht 20 Sept. 1861, Rb. Leeuw. 24 Okt. 1854 (contra O. M.j, en Rb. Amst. 10 Okt. 1852, alle drie vermeld hiervóór sub no. 5, is aangenomen dat de relatieve compententie voor de hoofdvordering meebrengt die voor de bij deze vonnissen accessoir geachte, ingevolge den regel: accessio sequitur principale. In deze drie gevallen was het, doordat er meerdere gedaagden waren, intusschen de vraag of art. 126 lid 7 Rv. hier niet tot een andere beslissing had moeten leiden, n.1. concurreerende competentie. Zie bij Léon —v. Rossem sub no. 11 op het zooeven aangehaalde artikel de jurisprudentie en litteratuur over de kwestie of art. 126 lid 7 (respektievelijk art. 97 lid 2) Rv. ook toepasselijk is, als de (schuld)vordering tegen den eenen gedaagde een accessoir is van die tegen den anderen gedaagde, — niet dus een accessoire rechtsvordering in den hiervóór sub no. 21 aangeduiden zin; vgl. ook nos. 1 en 5 hiervóór. (Het bij Léon—v. Rossem t. a. p. vermelde vonnis Rb. Deventer van 23 Mei 1838 is daar abusievelijk genoteerd als opgenomen in R. B. 1839; dit moet zijn: R. N. — Regt in Nederland). — In de meerderheid der bij Léon—v. Rossem t. a. p. geciteerde beslissingen wordt aangenomen dat art. 126 lid 7 Rv. moet zwichten voor het hier toepasselijk geachte adagium: accessio sequitur principale. Zoo ook Oudeman, B. R. V. 4e ed. I p. 155 sub no. 4. Anders B. Brouwer, Regterlijke bevoegdheid bij dagvaarding van den hoofdschuldenaar en diens borg, enz. in N. Bijdr. 1855 p. 70—108, die 1.1. p. 95—96. 99 — 100 en 108, opkomt tegen de toepassing hier van gemeld adagium. Vgl. no. 5 hiervóór en no. 54 hierna. Opgemerkt worde dat het argumenteeren in deze pro of contra uit art. 156 lid 1 Grw. niet kan leiden tot beantwoording der vraag, welke rechter de wet, nl. art. 126 lid 1 mèt lid 7 Rv., den hoofdschuldenaar toekent.

'I ï g. Beschouwt men de vordering tot schadevergoeding,

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1. 7

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten