Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook voor deze (zelfstandige, vgl. hiervóór no. 11) vordering, is aangenomen door Hof N.-Holl. 30 Dec. 1858 W. 2110; Rb. Amst., vonnissen van 7 Febr. 1902 W. 7785, en van 21 Febr. 1866 (vermeld hiervóór sub no. 47); Rb. Rott. 10 Jan. 1880 (mede t. a. p. vermeld); Rb. Middelb., vonnissen van 31 Jan. en 17 Okt. 1900, beide vermeld hiervóór in no. 45 sub a. Anclers daarentegen: Rb. Rott. 6 Nov. 1871 W. 3417; Rb. Amst., vonnissen van 25 Maart 1880, van 12 Dec. 1872, van 10 Dec. 1847, alle drie sub no. 47 hiervóór vermeld, alsmede van 20 Juni 1848 Pasicrisie Alph. Ged. I i. v. Cons. beslag no 179, en van 30 Maart 1842, geciteerd hiervóór in no. 45 sub a. Vgl. ook Hof Z.-Holl. 9 Mei 1859 W. 2089, bevestigend Rb. 'sGrav. 2 Nov. 1858 W. 2050. — Bij het voorafgaande vgl. nog Rb. Hoorn 19 Jan. 1848 R. B. 1848 p. 123. en Oudeman, B. R. V. 4e ed. 3 p. 108— 109, 114—115, 161—162, waarbij intusschen is te letten op de wijzigingen, die het Wetb. v. B. R V. sedert heeft ondergaan. Zie verder Alg. Begins. VIII no. 13.

Hoewel het schijnbaar voor de hand ligt te zeggen dat de rechter, die een gelegd beslag niet van waarde mag verklaren, evenmin de nietigheid er van mag uitspreken, is toch te bedenken dat, waar de incompetentie voor het eerste niet voortvloeit uit den aard van het onderwerp van 't geschil, maar enkel hieruit dat de wetsbepalingen, die de rechtsmacht distribueeren, niet toepasselijk zijn, — er geen goede grond is gelijke incompetentie aan te nemen voor de vordering der tegenpartij, als op dezen eisch een der bedoelde wetsbepalingen wèl kan worden toegepast,

8 5.

Van-waardeverklaring van een gerechtelijk aanbod en consignatie.

50. Voor zoover de in § 4 vermelde jurisprudentie de competentie voor den eisch tot van-waardeverklaring van een beslag afleidt uit die voor de hoofdvordering, is zij blijkbaar gevolgd, ten opzichte der competentie voor een eisch tot van-waardever-

Sluiten