Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wetb. v. B. R. V. (1896—1907) p. 242, no. 3 op art. 158. — Moet nu voor accessoire vorderingen iets anders gelden ? — Dat de rechter zich incompetent verklaart voor den accessoiren eisch, waar deze krachtens art. 158 Rv. langs een omweg toch voor hem kan worden gebracht, is eigenlijk niet rationeel (vgl. no. 36 sub e hiervóór). Maar het genoemde artikel maakt den rechter bij verknochtheid slechts competent krachtens verwijzing, terwijl art. 159 kwalijk schijnt te kunnen worden toegepast, waar dezelfde rechter niet van den beginne af competent was voor beide zaken. Zie ook Alg. Begins. III. — Vgl. over de competentie krachtens verknochtheid faure, Proc.recht i § 51, 3e ed. p. 428—430 jo. II, 4e ed. p. 29 v. o.—30.

Mocht men meenen dat, nu beide partijen verwijzing wegens verknochtheid mogen vragen, het beginsel van art. 158 Rv. meebrengt dat ook zonder die verwijzing de rechter zich ratione personae competent mag achten in geval van verknochtheid, dan zou dit toch niet kunnen gelden daar, waar zoodoende een speciale wettelijke regeling (gelijk b.v. die voor de van-waardeverklaring van een conservatoir beslag in verband met de hoofdvordering) illusoir zou worden. In zulke gevallen derogeeren de speciale competentiebepalingen m. i. dan ook aan den algemeenen regel van art. 158.

55. B. Het adagium: accessio sequitur principale, als axioma beschouwd, geeft groote moeilijkheden bij de competentie voor de van-waardeverklaring der conservatoire beslagen (zie hiervóór sub § 4). Dat die spreuk, als een eisch tot schadevergoeding, gevoegd bij dien tot ontbinding eener wederkeerige overeenkomst, accessoir zou moeten heeten, — voert tot consequenties in strijd met de heerschende leer der jurisprudentie op art. 42 R. O., zoowel wat competentie als appellabiliteit betreft (vgl. hiervóór nos. 8, 37 en 51, en op art. 42 R. O.), worde hier slechts aangestipt; te veel gewicht mag daaraan niet worden gehecht. Buitendien echter kan het vasthouden aan meergemeld adagium ten gevolge hebben dat burgerlijke geschillen, in strijd met art, 153 Grw., worden gebracht bij een ander dan de

Sluiten