Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, begrepen is in het recht, waarop de hoofdvordering is gebaseerd), — en die aard de competentie bepaalt, vgl. hiervóór no. 32 j°. no. 13.

Gesteld kan verder worden dat, waar de incompetentie van den Nederlandschen rechter voor den accessoiren eisch enkel hierop zou berusten dat de wetsbepalingen, waarbij de rechtsmacht wordt gedistribueerd, niet van toepassing zijn, — zoo de hoofdvordering wèl bij hem kan gebracht, dit zal insluiten dat bedoelde wetsbepalingen nu ook kunnen worden toegepast op het accessoir, zie hiervóór no. 34. Echter is dit twijfelachtig. Het zal m. i. telkens hierop aankomen of de wetsbepaling, waarop de competentie voor de hoofdvordering steunt, zóó ruim mag worden geïnterpreteerd, dat ook de competentie voor de accessoire vordering er onder valt. Vgl. Alg. Begins. III.

Over de vraag of bij de relatieve competentie het beginsel, dat aan art. 158 Rv. ten grondslag ligt, mag worden ingeroepen voor de stelling dat de competentie in de hoofdvordering die in de accessoire meebrengt, vgl. hiervóór no. 54 jo. no. 36 sub e.

d. Voor het geval dat de competentie wordt bepaald door de waarde der vordering (vgl. no. 53 hiervóór), zie vóór art. 38 R. O.

e. Daar, waar de competentie voor de hoofdzaak niet meebrengt die voor de accessoire, terwijl voor deze laatste, ware zij zelfstandig ingesteld, een ander rechter is aangewezen, zullen de twee vorderingen moeten worden gescheiden en enkel voor de accessoire incompetentverklaring volgen. Hierbij kan zich echter nog de vraag voordoen, of de zooeven bedoelde aanwijzing bij uitsluiting geschiedde, hetgeen wel als regel zal moeten worden aangenomen, en zeker m. i., waar art. 153 Grw. (respektievelijk het Grondwetsartikel, van kracht toen de aanwijzing geschiedde) dit eischt. Vgl. hiervóór no. 38 sub h en Alg. Begins. X no. 1.

5 3. D. Dat de appeïlabüiteit van het vonnis op een accessoiren eisch, ook al wordt dit afzonderlijk gewezen, niet enkel door die accessoire vordering wordt bepaald, waar de vatbaarheid voor hooger beroep afhangt van de ingestelde vordering, volgt uit het voorafgaande: vgl. hiervóór no. 56 sub a.

Sluiten