Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de enge opvatting pleit juist de bedoelde onderstelling van art. 125, dat niet geschreven is om competentie te vestigen, wat toch het geval zou zijn, zoo het als uitzondering op art. 435. moest worden beschouwd. — De competentie des Kantonrechters tot vereffening der vergoeding van kosten, enz., waarvan het bedrag in zijn vroeger vonnis niet is bepaald (vgl. art. 39 R. O.), volgt niet alleen uit art. 125 (jis. 612 vlgg.), doch bij opvatting van art. 435 in engen zin, óók uit de leer der jurisprudentie, vermeld hiervóór sub no1 2, over het karakter der vereffenings-procedure als voortzetting der voorafgaande. Op dit karakter steunen ook de beslissingen, vermeld hierna in nos. 4 en 5.

4L. c. Is het vroegere geding gevoerd bij scheidslieden, dan zijn ook deze competent voor de vereffenings-procedure. Zoo Rb. Amst. 24 Mei 1861, geciteerd sub no. 3 hiervóór. — Vgl. de analogie van art. 645 met art. 435 Rv., en daaromtrent het hier voorafgaande no. 3.

5. d. De appellabiliteit van het vonnis in het liquidatieproces hangt af van die van het vonnis in de vroegere procedure. Zoo H. R. 4 April 1902 jo. Hof Amst. 1 Febr. 1901, vermeld sub Alg. Begins. XI nos. 13 en 51; H. R. 8 Mei 1891, geciteerd hiervóór sub. no. 2; H. R. 2 Dec, 1853 W. 1504; Hof N.-Holl. 6 Febr. 1868 W. 3033. Vgl. ook de jurisprudentie, vermeld sub Alg. Begins. XI no. 52. Zie verder Hof Geld. 20 Febr. 1839 Hertzveld, Onuitg. burg. regtspr. Hof Geld. p. 1: In den regel is al hetgeen met de principale zaak in een onmiddellijk verband staat, ten aanzien der rechtsmacht van gelijken aard. Dus is een beslissing, noodig geworden om aan een in het hoogste ressort gewezen vonnis executie te kunnen geven, niet appellabel.

O. C. Over de vraag of geschillen over de bij een vonnis bevolen zekerheid (artt. 616—619 Rv.) behooren tot die in art. 435 vermeld, dan wel of ook daarbij de hiervóór sub no. 2 aangegeven leer geldt omtrent de vereffenings-geschillen, zijn de meeningen verdeeld. Zie de bij Léon—v. Rossem sub no. 4 op art. 435 Rv. geciteerden, en Oudeman, B. R. V. 4e ed. 2 p. 242. Bij de Pinto, B. R. V. 2e ed. II, 2 p. 744, vgl. W. v. Rossem Bzn.,

Sluiten