Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geciteerd hiervóór sub no. 3, p. 187—188 (met nt. 6) op art. 125, en p. 651 no. 4 op art. 616 Rv. Zie ook Gabsonnet, aangehaald sub no. 2 hiervóór. — De meesten (zoo, naar het schijnt, implicite ook Rb. Rott. 7 Febr. 1906 W. 8462 in de vijfde rechtsoverweging) oordeelen dat de hier bedoelde geschillen wèl, v. d. Kemp's Ontwikkeling. . . Kantongerechten, 2e ed. p. 223, 3e ed. p. 351 (zie 4e ed p. 479 —480) — dat ze niet onder art. 435 vallen (anders de le ed. p. 196). Voor deze ontkennende beantwoording der vraag wordt aangevoerd dat de zekerheidstelling als vereischte voor de executie in engeren zin, niet tot die executie behoort (vgl. ook de opmerking aan het slot van no. 3 hiervóór jo. no. 1). Ook dan echter is zulk een geschil m. i. geen voortzetting van de vroegere procedure in denzelfden zin als het vereffeningsproces, zoodat bij bedoelde opvatting hier de gewone competentieregelen zullen moeten worden gevolgd.

ï. D. Bij de in de voorafgaande nummers vermelde jurisprudentie sluit zich nog aan H. R. 15 Maart 1872 W. 3451, R.spr. 100 § 30, v. d. Hon. B. R. 36 p. 549, R. B. 1872 p. 577: De vordering tot uitbetaling van de krachtens art. 3 der Onteigeningswet geconsigneerde schadevergoeding, behooit als gevolg van het gevoerde onteigeningsgeding, bij den rechter, die daarover heeft geoordeeld.

XIII. Incidenten. — Incidenteele vonnissen. — Incidenteele vorderingen. — Competentie en appellabiliteit.

§ 1.

Voorafgaande opmerkingen.

JL. De benamingen: incident, incidenteel vonnis, incidenteele vordering, worden gebezigd voor uiteenloopende processueele feiten, en de drie termen dekken elkaar niet. Echter kan gezegd

Sluiten