Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot schorsing: Hof Utrecht 4 of 8 Aug. 1843 R. B. 1843 p. 596 en 684.

13. d. Naar aanleiding van het sedert ingetrokken art. 151 lid 2 Rv. (stateering van het geding) zie Hof's Grav. 17 Nov. 1890 W. 5960, P. v. J. 1890 no. 98, in gelijken geest als de in de hier voorafgaande nummers aangehaalde jurisprudentie. — Anders dan gemeld arrest: Hof Gron. 10 April 1855 Pasicrisie, Alph. Ged., Ie Vervolg i. v. Appèl in burg. zaken no. 422. Dit verschil in zienswijs steunde op een uiteenloopende opvatting der strekking van art. 151 lid 2 Rv., zoodat met de intrekking dier bepaling deze kwestie zelf geen belang meer heeft.

II. e. De appellabiliteit van het incidenteele vonnis, in een petitoiren eisch, over de toelaatbaarheid eener possessoire vordering in reconventie (vgl. art. 250 no. 3 Rv.), is aangenomen door Hof Overijssel 19 April 1841 Hertzveld, Onuitg. burg. regtspr. Hof Overijssel p. 9—10, op grond dat dit incidenteel vonnis niet betrof de ontvankelijkheid der possessoire vordering op zichzelf, maalais aangebracht in reconventie tegen den petitoiren eisch in conventie, zoodat de beslissing ook op laatstbedoelden eisch van invloed is, met gevolg dat art. 54 no. 4 R. O. hier niet moest worden toegepast.

15. f. Is niet-appellabel het vonnis tot vergoeding van schade aan eischers grond toegebracht, dan geldt hetzelfde van het incidenteel vonnis over den eigendom van dien grond, waar dit punt slechts als rechtsmiddel is aangevoerd, en niet is het onmiddellijk onderwerp der rechtsvordering. Zoo Hof N.-Brab. 4 Juni 1839 Pasicrisie, Alph. Ged. I i. v. Incidenteele vordering no. 12. Ygl. ook LÉotï—v. Rossem no. 5 op art. 247 Rv. — Over de bij dit arrest gemaakte restriktie zie sub no. 33 hierna.

16. g. De appellabiliteit van het incidenteel vonnis over de echtheid van een geschrift hangt af van die van het vonnis op de hoofdzaak, zelfs al is — krachtens de uitzonderingsbepaling van art. 100 Rv. — het incidenteel vonnis gewezen door een ander rechter (Rechtbank) dan die der hoofdzaak (Kantonrechter). Zoo H. R. 28 Juni 1901 W. 7625, R.spr. 188 § 45, v. d. Hon. B. R. 67

Sluiten