Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p. 458, P. v. J. 1901 no. 60, de cassatie verwerpend tegen het in gelijken zin ' gewezen arrest Hof Leeuw. 9 Jan. 1901 W. 7568, P. v. J. 1901 no. 18. — Insgelijks ten opzichte van zulk een vonnis in een zaak ter competentie der Rechtbank, doch niet appellabel wegens het bedrag der vordering: Hof N.-Brab. 17 Nov. 1840 R.spr. 6 § 22, als motief aanvoerend dat, al is de incidenteele eisch tot echtverklaring van onbepaalde waarde, het bewijsmiddel in geen geval strekt om meer te bewijzen dan voor of tegen het bedrag der principale vordering, en nooit kan worden geacht meer waarde te hebben dan deze laatste, waarvan het steeds het accessoir is, dat door haar wordt bepaald; terwijl hetzelfde beginsel ligt opgesloten in artt. 336 en 337 jo- 338 (oud) Rv., en de uitzonderingen in artt. 42, 225 en 333 Rv. den regel bevestigen. — De hierboven geciteerde arresten van den H. R. en Hof Leeuw, van 1901 zijn gemotiveerd met den regel dat de rechter der hoofdzaak, behoudens wettelijke uitzondering, is die van het incident (vgl. Alg. Begins. XV no. 1), terwijl appellabiliteit alléén van het incidenteel vonnis moeielijk vereenigbaar zou zijn met de bevoegdheid in art. 100 Rv. aan de Rechtbank gegeven om casu quo ook de hoofdzaak af te doen. Ygl. ook in het arrest van het Hof Leeuw, zelf de verdere motiveering daarvan. In gelijken geest als de hier geciteerde beslissingen Dalloz, Rép. Suppl. i. v. Degrés de juridiction no. 89. — Bij dit no. 16 vgl. ook no. 21 hierna.

IS. U. Het in het hier voorafgaande no. 16 geciteerde arrest Hof N.-Brab. van 1840 overwoog mede in het algemeen dat de appellabiliteit van praeparatoire en interlocutoire vonnissen noodzakelijk afhangt van die van het eindvonnis, ook dan, als men niet van beide tegelijk in appèl is gekomen. In gelijken zin Hof Amst., arresten van 15 Jan. 1892 W. 6169, P. v. J. 1892 no. 30, en van 1 Dec. 1876 P. v. J. 1876 Bijbl. 50; Hof Overijssel 1 Mei 1871 W. 3331, W. v. N. R. 77, en implicite Rb. Eindhoven 15 Febr. 1870 W. 3211. Ygl. dein no. 4 sub e hiervóór geciteerde diss. van J. v. Loon, p. 101—102 ja. p. 106, en de Paepe, geciteerd hiervóór sub no. 5 i. f., I p. 423—424.

Sluiten