Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

no. 253 (p. 89), nos. 301—304 (p. 102—104) en nos. 322—327 (p. 109—-111). In nos. 226 —227 1.1. zou men kunnen meenenhet stelsel te zien gehuldigd van art. 1958 B. W. naar het nu bij ons aanhangig Reg.-Ontw. (hoewel het de vraag is of dit óók uit de door den schrijver 1.1. geciteerde arresten van het Fransche Hof van Cass. mag worden afgeleid), welk stelsel dan echter door Lacoste in no. 322 weer wordt losgelaten. Misschien is de althans schijnbare tegenstrijdigheid tusschen deze twee plaatsen op te lossen door te letten op no. 324 jis. no. 325—327 : gezag van gewijsde voor de geschilpunten, waarover debat tusschen partijen is gevoerd, ook zonder dat er uitdrukkelijk voor is geconcludeerd, vgl. ook nos. 233, 240, 253, 260, 261, 263, 287 1.1. jo. no. 37 op p. 17, en no. 58 op p. 24, alsmede Garsonnet hieronder geciteerd p. 543 sub B 2o. jo. A lo. — Vgl. ook Lacoste 1.1. nos. 301—304, waar als vereischte voor de beslissing, om gezag van gewijsde te hebben, wordt gesteld dat het geschilpunt onderwerp moet kunnen zijn van een zelfstandig geding; hieromtrent zie no. 8 sub i hierna. — Van de Fransche litteratuur zie verder Garsonnet, Traité théor. et prat. de procédure civile, 2e éd. III (1899) § 1126 p. 543—545; Baudry—Lacantinerie, Précis de droit civil II, 2e éd. (1886) no. 1286 p. 882, en denzelfde, Traité théor. et prat. du Droit Civil, Des Obligations, 2e éd. III (1905) §§ 2672-2673 (p. 956-958). Vgl. mede Cardot in de Revue critique de législation et de jurisprudence 1863 p. 452—470; de Paepe, geciteerd sub Alg. Begins. XIII no. 33, en Merlin, Répert. éd. Brux. 1827 i. v. Question d'État § II p. 257—261 (1.1. p. 257—258 over den stand der kwestie in het oud-Fransche recht).

b. De jurisprudentie van onzen H. R. is niet steeds in éénzelfden zin. De leer dat louter praejudicieele beslissingen geen gezag van gewijsde hebben, is gehuldigd door H. R. 8 Dec. 1876 W. 4067, R.spr. 114 § 37, v. d. Hon. B. R. 41 p. 459, R. B. 1877 A p. 29 (praejudicieele beslissing in rentevordering over kapitaal); H. R. 13 Juni 1879 W. 4389, R.spr. 122 § 26, v. d. Hon. B. R. 44 p. 264 (boetetermijnen), en H. R. 13 Juni 1884 W. 5048,

Sluiten