Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rassingen bereiden, en daarom zal m. i., vóórdat men ze invoert, wel eens mogen worden overwogen of ze geen te groote gevaren meebrengt, speciaal bij de Kantongerechtsprocedure zonder procureurs.

Buitendien schijnt twijfel gewettigd omtrent de vraag of men bij het ontwerpen van het vermelde art. 1958 wel gedacht heeft aan het geval dat de praejudicieele kwestie als onderwerp van een zelfstandig geding niet zou behooren tot de competentie van den rechter, die er (nu praejudicieel) over heeft te beslissen. Ook die beslissing, werd ze inderdaad gegeven, zou, als dit art. 1958 er op toepasselijk is, gezag van gewijsde moeten hebben; vgl. het hier volgend no. 8 sub f jo. h. — Op die wijze zou echter de competentieregeling haar doel missen en licht kunnen worden ontdoken, ware het niet dat men in dit geval de praejudicieele kwestie aan de beoordeeling des rechters onttrokken moet achten, zie Alg. Begins. XV no. 4 sub f. Het gevolg hiervan is, öf dat de rechter dan incompetent is voor het geheele geschil, of wel dat de vordering moet worden verklaard niet-ontvankelijk tot na beslissing der praejudicieele kwestie door hem, die voor deze competent is, zie Alg. Begins. XV no. 25 sub c. Werd nu art. 1958 voornoemd ongewijzigd wet, dan zouden hetzij talrijke incompetent-, hetzij talrijke niet-ontvankelijk-verklaringen moeten worden uitgesproken in gevallen, waarin die thans achterwege blijven, wat, naar het schijnt, praktisch zou neerkomen op een stelsel, niet veel verschillend met dat in Frankrijk voor de praejudicieele kwesties geldend (vgl. no. 19 i. f. hierna). Zoo zou b.v. met-ontvankelijkheid (of incompetentie) aanwezig zijn telkens, waar voor den Kantonrechter een geschilpunt over een zakelijk recht praejudicieel wordt (vgl. nos. 22 en 23 hierna), of voor de rechterlijke macht

!) Vgl. ook de opmerking van den H. R. in zijn hierboven sub b in den aanhef geciteerde arrest van 13 Juni 1884: Bij de inrichting onzer rechterlijke uitspraken hangt het grootendeels van den rechter af, of hij de door hem te beslissen rechtsvraag meer of min ruim wil stellen, en het is niet aannemelijk dat de wijze waarop hij zulks doet, voor de rechten van partijen, die daartoe wellicht niet hebben meegewerkt, van overwegenden invloed zou zijn.

Sluiten