Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekeringscontract niet is aangegaan, zonder dat het er toe doet of voor de verdere verplichtingen uit zulk contract niet de Kanrechter maar de Rechtbank competent zou zijn.

g. Wegens het zooeven gezegde kan het gebeuren dat in dergelijke vorderingen als hier sub f a. h. e. aangeduid, de beslissing van den Kantonrechter van verder reikend belang is dan het petitum alléén aanwijst, hetgeen praktisch van gewicht zal zijn, waar de rechtstitel wordt betwist. Op dit motief zou art. 38 no. 2 R. O., al heeft deze bepaling vermoedelijk een anderen oorsprong (zie op dit art.), kunnen worden verdedigd, — hoewel het voorschrift dan toch onvolledig is (vgl. het hierboven sub f a. h. e. genoemde voorbeeld van assurantiepremie), en inconsequent in het systeem, dat art. 38 overigens aannam voor den maatstaf der competentie, te weten het zuivere petitum in den technischen zin van het gevorderde geldelijk bedrag. — Met het oog op dit laatste bestaat de samenhang, dien men wel zoekt tusschen art. 38 no. 2 R. 0. en den omvang van het gezag van gewijsde, als in verband staande met de competentie, m. i. meer in schijn dan in wezen. Op het petitum toch, in den zin van het gevorderd geldelijk bedrag, heeft de omvang van het gezag van gewijsde geen invloed. Anders zou het zijn, als niet het beloop van het petitum, maar de waarde der rechtsbetrekking, waarvan erkenning wordt gevraagd, bij ons, gelijk in Duitschland, de waarde deivordering voor de competentie bepaalde. (Hierover nader vóór art. 38 R. O.). In het algemeen is, waar competentie en appellabiliteit bij de wet afhankelijk zijn gesteld enkel van het beloop der vordering, in geld uitgedrukt, dus van het zuivere petitum, — een beroep op den objektieven omvang van het gezag van gewijsde der te geven of gegeven beslissing, m. i. niet ter zake dienend, daar die omvang wel van invloed is op de waarde, toe te kennen aan de rechtsbetrekking bij het vonnis vastgesteld, doch niet op de waarde der vordering, aangegeven door het geëischte bedrag in geld.

Wat betreft het verband van art. 38 no. 2 R. O. met den omvang van het gezag van gewijsde, te ver in elk geval gaat

Sluiten