Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vgl. ook het naar aanleiding van artt. 9 en 20 der spoorwegconventie (wet 22 Juli 1890 Stbl. 184) in een burgerlijke procedure gewezen vonnis Rb. 's Grav. 27 April 1897 W. 6992, P. v. J. 1901 no. 92, bevestigd door Hof 's Grav. 24 Juni 1901 W. 7696, P. v. J. 1.1., waartegen de cassatie is verworpen door H. R. 23 Mei 1902 W. 7776, R.spr. 191 § 15, P. v. J. no. 160.

Bij dit no. 11 vgl. Alg. Begins. I no. 3.

18. c. Nu de Vrankicet (oud en nieuw) strafbaar stelt het verkoopen zonder de vereischte vergunning, en niet b.v. het verkoopen zonder recht op vergunning, terwijl evenmin is bepaald dat de strafbaarheid wordt uitgesloten als de vergunning ten onrechte is geweigerd of ingetrokken, — is noch de rechtmatigheid dier weigering of intrekking element van het strafbare feit, noch de onrechtmatigheid dezer administratieve handelingen een z.g. fait d'excuse (fait justificatif) voor den beklaagde. Een ten onrechte geweigerde vergunning kan niet als toch verleend, en evenmin een ten onrechte ingetrokken vergunning als nog bestaande worden behandeld; vgl. het hieronder geciteerde arrest H. R. van 7 Mei 1906. — Reeds daarom heett de strafrechter de wettigheid der bedoelde administratieve handelingen als niet praejudicieel, niet ter zake dienend, ook niet te onderzoeken. Deze overweging leidt tot gelijke beslissing als die gegeven door H. R. 10 Maart 1902, en andere arresten vermeld sub Alg. Begins. XV no. 36 (vgl. ook XV § 3 en XVI); welke arresten echter alle anders zijn gemotiveerd, waaromtrent zie t. a. p. Vgl. hierbij ook H. R. 12 Febr. 1906, mede aldaar vermeld. — Zie verder H. R. 7 Mei 1906 W. 8376, R.spr. 203 § 2, P. v. J. no. 558, G. st. 2855 sub 10°, W. B. A. 2975: De strafrechter heeft alleen na te gaan of de belanghebbende is in het bezit deidoor de bevoegde administratieve macht verleende vergunning. Is dit het geval, dan heeft hij niet te onderzoeken of het besluit, waarbij de vergunning werd verleend, wettig was. De vragen of er aanleiding was de vergunning te verleenen en of er reden was ze in te trekken, vallen buiten het gebied van den strafrechter. De Drankwet wijst in artt. 16 en 28 no. 1 den

Sluiten