Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

administratieven weg aan, waarlangs ongedaan kunnen gemaakt de gevolgen van een besluit van B. en W. tot verleening eener vergunning boven het maximum krachtens art. 5 no. 2 der wet, nadat van twee andere vergunningen afstand is gedaan. — Zie' dit arrest mede sub Alg. Begins. XVI.

13. d. Gelijke opmerking als hiervóór in no. 12 gemaakt, geldt voor het sub Alg. Begins. XV no. 37 vermelde arrest H. R. van 23 April 1900 betreffende art. 22 sub b der Hinderwet, welk artikel immers alleen spreekt van „gestelde" en niet van wettiglijk gestelde voorwaarden.

14. e. Eveneens geltft soortgelijke opmerking als sub no. 12 hiervóór gemaakt, voor het hier volgende vonnis van Rb. 's Grav. d.d. 12 Jan. 1848 W. 879: In een strafgeding ter zake van het innen van polderomslagen zonder de bij keur vereischte toestemming van hoogheemraden, mag de rechter niet onderzoeken •of die toestemming al dan niet terecht is geweigerd.

15. ƒ. Bij toepassing van art. 399 no. 1 Swb. heeft de rechter niet te onderzoeken of de een schepeling opgelegde disciplinaire straf op de wet steunde. — Zoo Hof Amst. 5 Nov. 1890 W. 5997. — Ook hieromtrent geldt gelijke opmerking als die sub no. 12 hiervóór: het bedoelde punt is niet ter zake dienend wegens de redaktie van het wetsartikel.

1©. g. Evenals in de voorafgaande nummers sprake was van slechts schijnbaar praejudicieele geschilpunten, heeft men een praealabéle kwestie aanwezig geacht, zonder dat deze bestond, waar een beklaagde terechtstaande na uitlevering, zich op de onwettigheid dier uitlevering beriep. In Frankrijk heeft het Hof van Cassatie in vroeger jaren dit punt als een praealabele kwestie behandeld, doch is later op deze jurisprudentie teruggekomen. Ygl. Dalloz, Répertoire i. v. Traité international nos. 327—340 en het Suppl. nos. 74—100. Ygl. ook de daar geciteerde litteratuur, alsmede Bonfils, Manuel de Droit international public, 4e éd. (1905) no. 481 (p. 258—259), J. B. Hoffman, Traité ... des questions préjudicielles en matière répressive ... (1865) II nos. 449—464 (p. 384—412), en daarbij A. E. J.

Sluiten