Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

praktijk hebben verloren, zij heeft het behouden voor de methode ter oplossing van soortgelijke vragen.

18 b. Hebben bepalingen als art. 10 der wet van 22 Mei 1845 Stbl. 22 en art. 266 Gem.wet niet ten gevolge dat, waar zij toepasselijk zijn, in een condictio indebiti de wettigheid van den aanslag als niet-praejudicieel moet worden aangemerkt? Uit deze artikelen toch is af te leiden dat ook een onwettige aanslag de verplichting tot betaling doet ontstaan (al spreekt art. 266 laatste lid min nauwkeurig van „ten onregte betaalde belasting", wat met het eerste lid m. i. kwalijk te rijmen is), — welke verplichting dan wordt te niet gedaan door de uitspraak van het competente gezag dat de aanslag onwettig is. Maar zoolang de aanslag niet is vernietigd, schijnt er kwalijk sprake te kunnen zijn van een indebitum, en is dan daarom de terugvordering nietontvankelijk.

Litteratuur over de praejudicieele geschillen.

1». G. Zie de Jonge, Administratie en Justitie (1865) p. 63—68, 74-76 en 80 (vgl. hierbij Alg. Begins. XV sub no. 22); de Bosch Kemper, Handl. Ned. Staatsrecht (1865) p. 793; de Tijdgenoot 1842 p. 495—498; v. Idsinga, De Admin. Rechtspraak I (1893) p. 86—88; het Verslag der Staats-Connnissie voor administr. rechtspr. (1894) § 12 p. 17; § 36 der Mem. v. Toel. bij het Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv., en art 159 van dit Ontwerp; H. Reuyl in R. Mag. 14 (1895) p. 529—535;Roëll en Oppenheim in R. Mag. 18 (1899) p. 222 —225, en 21 (1902) p, 43-44; verder de sub Alg. Begins. XV no. 5 geciteerden.— De iure constituendo: W. B. A. 2844-2850, waaromtrent vgl. Alg. Begins. XV no. 26.

Van Duitsche (en Oostenrijksche) litteratuur zie Lauk in Bluntschli und Brater, Deutsches Staatswörterbuch V (1860) i. v. Kompetenz p. 650 v. b.; v. Stengel's Wörterbuch des deutschen Verwaltungsrechts i. v. Kompetenzkonflikt, I p. 811 § 3 (Nadbyl), en i. v. Rechtsweg § 4, II, p. 333 (Bornhak); O. v. Sarwey, Das öffentliche Recht . . . (1880) p. 648—661

Sluiten