Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den eisch, noch de verdediging van gedaagde, van invloed zijn op de competentie van den Kantonrechter (naar art. 38 no. 1 R. O.). In dien zin implicite ook Hof Geld. 2 April 1856 W. 1777, R.spr. 54 § 62, waarbij het intusschen twijfelachtig was, of niet een zakelijke onderhoudsplicht was integreerend deel van het onderwerp der vordering; hieromtrent zie nader op art. 38 R. O. — Waar het zakelijk recht wèl zulk een integreerend deel is van het onderwerp van den eisch, zal deze kwalijk als „louter personeel" kunnen worden beschouwd.

Geen invloed ook op de competentie van den Kantonrechter naar art. 38 no. 1 R. O. werd aan een door gedaagde opgeworpen praejudicieel geschilpunt over een zakelijk recht toegekend door Rb. Heerenveen 25 Maart 1904 W. 8301, en evenmin door Rb. Leeuw. 20 Jan. 1881 W. 4685. — Anders echter een vonnis dierzelfde Rechtbank van 10 Jan. 1871 W. 3381, van oordeel dat een praejudicieel geschilpunt over een zakelijk recht, door eischer ten grondslag gelegd aan zijn vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, ingevolge betwisting van dit zakelijk recht door gedaagde, de vordering stempelt tot een zakelijke; — een stelling, uitdrukkelijk verworpen o. a. door Rb. Heerenveen, bij het zooeven vermelde vonnis van 1904, en door het sub no. 22 hiervóór genoemde arrest H. R. van 19 Jan. 1855.

Dat een zakelijke vordering dien aard niet verliest door de verdediging van gedaagde, en deze verdediging dan ook niet van invloed is op de competentie, besliste Rb. 's Hertog. 20 Jan. 1847 W. 840. — Eveneens namen aan dat de verdediging van gedaagde niet afdoet tot den aard der vordering: Hof Geld. 17 Juni 1855 B. B. 1856 p. 557, en het daarbij bevestigde vonnis van Rb. Nijmegen d.d. 2 Jan. 1855 W. 1631.

Ten aanzien der competentie van den Kantonrechter voor het aanhangig geding, waar deze afhangt van de waaide dei vordering, gingen implicite uit van de leer dat praejudicieele geschilpunten hierop van invloed zijn: H. r. 12 Maart 1847 W. 793, R.spr. 25 § 82, v. d. Hon. B. R. 8 p. 377, en Ktg. I Amst.

Sluiten