Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het te doen was, maar het oordeel daaromtrent van een aangewezen persoon. — Vgl. ook no. 19 hierna.

Voor de vraag, of bij reglement of statuut een voor de rechterlijke macht praejudicieel geschilpunt haar kan worden onttrokken, vgl. hierna no. 24.

Bij het voorafgaande worde nog dit opgemerkt. Het spreekt vanzelf dat de praejudicieele kwestie slechts dan enkel naar de reglementen eener korporatie of instelling moet worden beantwoord, als zij alléén het inwendig recht dier korporatieJ) betreft. Dit is m. i, waar uit de inrichting der korporatie voortvloeiend verplicht lidmaatschap van Staatswege niet wordt erkend, niet het geval met de vraag of iemand lid der korporatie is geworden. Immers eerst als dit lidmaatschap vaststaat, gelden ook voor hem de reglementen der korporatie, Wèl moet voor de beantwoording dier vraag het inwendig recht der korporatie mede worden geraadpleegd, inzoover dit aangeeft wie zij niet als lid beschouwt: de kwestie van het 'lidmaatschap betreft niet enkel het inwendig recht der korporatie, maar dit toch mede. Buitendien komen hier in aanmerking, behalve de aard der korporatie in verband met de feitelijke omstandigheden, de bepalingen der Staatswet. "Vgl. hierbij H. v. Manen, Hoofdelijke omslagen in gemeenten der Ned. Herv. Kerk, diss. Leiden 1897 p. 68—86 jis. p. 133—135; J. de Haas Jr. in N. Bijdr. 1881 p. 289—294 jis. 299—300; W. Tonckens, De rechtspraak in kerkelijke zaken, diss. Gron. 1873 p. 120 ja. p. 121; C. J. v. Nispen tot Pannerden, Het regt van vereeniging, diss. Leiden 1853 p. 61—64 ; J. Pols, De corporibus moralibus diss. L. B. 1849 p. 19—20. De leer, door deze schrijvers voor het meerendeel aangenomen, welke in dit geval per se toepasselijk acht het verbintenissenrecht van het B. W., berust op de meening dat het lidmaatschap van niet-

!) Om niet telkens de woorden „korporatie of instelling" te moeten herhalen, wordt hier en in het vervolg vaak van korporaties (of zedelijke lichamen) gesproken, waar instellingen ook bedoeld zijn. Of kerkgenootschappen tot de eerste of de tweede rubriek behooren, blijft in het midden.

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1. 14

(Mr. L. van Praag, Recht. Org)

Sluiten