Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der samenstelling van waterschapsbesturen uitsluitend behoorde aan Prov. Staten. Dit neemt wel niet weg — zóó het Hof — dat den rechter is voorbehouden de kwaliteiten van partijen te onderzoeken, maar hier is deze kwaliteit enkel afhankelijk daarvan of Prov. Staten het bestuur als wettig erkenden, welke erkenning lag opgesloten in de machtiging tot optreden in rechte. Het Hof vernietigde op de aangehaalde gronden het vonnis der Rb. 's Hertog, van 17 Jan. 1845 W. 636, waarbij het stelsel was gehuldigd der hierboven geciteerde arresten van den H. R. in strafzaken. De Rechtbank nam aan dat in een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige aardhaling, ingesteld, zooals hier het geval was, tegen gedaagden in privé, zoo deze aanvoerden q.q. als polderbestuur te hebben gehandeld, wat eischer ontkende omdat de verkiezing onwettig zou zijn geweest, — de rechter dit punt had te onderzoeken.

In de hierboven aangehaalde overweging van het arrest van den H. R. van 1848 wordt ook gezinspeeld op het onderzoek der geloofsbrieven (en de beslissing van geschillen hierover) dooi den daartoe aangewezene. Vgl. hieromtrent voor waterschapsbesturen nu J. Loosjes, De Algemeene Waterschapsreglementen, enz., diss. Amst. 1901 p. 101—103.

In den geest van het hierboven genoemde arrest H. R. van 17 Febr. 1848 zie ook Hof N.-Brab. 11 Nov. 1856 W. 1861, R.spr. 56 § 75, bevestigend Rb. Breda 20 Nov. 1855 W. 1.1. en 1717, R.spr. 53 § 76, en Rb. 's Hertog. 30 Juni 1858 W. 2106, bevestigd door Hof N.-Brab. 15 Maart 1859 W. 2094, doch met afwijkende motiveering, waarvoor zie sub Alg. Begins. XV II. — Verder nog Pres. Rb. 'sGrav. 4 Sept. 1899 W. 7332, W. B. A. 2626 (vgl. Alg. Begins. IX no. 37), en H. Krabbe, De burgerlijke Staatsdienst in Nederland, diss. Leiden 1883 p. 269 j°. nt. 2 aldaar. Vgl. ook de nota van Farncombe Sanders bij Arntzenius, Handelingen over de herziening der Grondwet, 4 (1887) p. 139 140.

h. Mede in den geest van het hierboven vermelde arrest van den H. R. van 1848, ook in burgerlijke zaken, doch ten opzichte eener kerkelijke hoedanigheid: H. R. 15 Juni 1849 W. 103o,

Sluiten