Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de eene is de (on)rechtmatigbeid der aangevallen daad, bij de andere het (in)debitum mede onderwerp van den eisch; vgl. Alg. Begins. XIA 110. 4 sub a en IX nos. 45, 53 en 55. Dus is, mocht — hetzij omtrent de bedoelde onrechtmatigheid, hetzij omtrent het aangeduide indebitum — de beslissing bij uitsluiting zijn opgedragen aan een administratief redder, toepasselijk hetgeen hiervóór in no. 4 sub f is gezegd.

b. Voor de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige bestuursdaad vgl. no. 13 hiervóór. Zie ook de Tijdgenoot van 1842 p. 497, waar voor de toen geldende wetgeving op dit punt gezegd wordt dat over indeeling bij de militie Ged. Staten als rechters oordeelen, en daarom de rechterlijke macht dit niet mocht doen. Met „indeeling" is hier echter bedoeld „inlijving" ; terwijl omgekeerd het arrest H. R, van 18 Dec. 1857, geciteerd sub Alg. Begins. IX no. 44, sprekend van „inlijving", bedoelt: „indeeling" blijkens den aanhef der conclusie van het O. M. vóór dit ^arrest. Het verschil tusschen de twee gevallen is juist dat wèl over inlijving Ged. Staten als rechters oordeelen (thans zoowel als onder de vroegere wetgeving), doch niet waar gelijk in 1857, onder werking der wetten van 1817 Stbl. 1 en van 1820 Stbl. 11, sprake was van onrechtmatige indeeling van iemand, die reeds in dienst was, maar beweerde dat zijn diensttijd was verstreken ingevolge art. 2 der wet van 1820.

c. Ten opzichte van de condictio indebiti voor publiekrechtelijke schuld ') kan het twijfelachtig zijn of de beslissing over laatstbedoelde schuld bij uitsluiting aan een administratief rechter is opgedragen, en dus ook, of het hiervóór in no. 4 sub f gezegde toepasselijk is. Zoo vooral, waar aan het administratief gezag is gegeven de beslissing over bezwaren tegen den aanslag voor zulk

!) Ondersteld wordt liier dat zulk een vordering ontvankelijk is naar art. 1395 B. W. Neemt men aan dat dit artikel niet toepasselijk is als hetgeen betaald werd, onverschuldigd is naar publiek recht, dan behoeft om deze reden in een terugvordering op genoemd artikel steunend, het geschilpunt over het indebitum niet te worden onderzocht: het is dan niet praejudicieel.

Sluiten