Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rechter dit' toch als rechtsgeldig heeft te -erkennen. Volgt men de leer, implicite gehuldigd in het arrest H. R. 21 Jan. 1895 W. 6616, R.spr. 169 § 9, v. d. Hon. Sr. 1895 p. 11, P. v. J. 1895 no. 26, dat n.1. art. 121 lid 2 Grw. óók verbiedt , bij de uitlegging der wet te vragen of zekere opvatting eener wetsbepaling haar zou in strijd brengen met de Grondwet, dan heeft de rechter voor zulk een bepaling zich nooit de vraag te stellen of zij krachtens de Grondwet gegeven mocht worden. — Als men echter meent dat art. 121 lid 2 Grw. slechts geldt voor hetgeen als wetsinhoud vaststaat, en geen beletsel is tegen vrij onderzoek naar den zin der wet door den uitlegger, zal deze, waar niet andere gegevens hem nopen tot een afwijkende opvatting, die beteekenis der wetsbepaling mogen aannemen, welke haar niet met de Grondwet in strijd brengt; immers mag toch worden ondersteld dat zulk konflikt door den wetgever zelf niet is gewild, als het tegendeel niet blijkt. — Dit kan juist hier van belang zijn, omdat het soms zeer twijfelachtig is of een wetsbepaling een zeker geschilpunt den rechter wilde onttrekken, en of de Grondwet dit gedoogt. Opgemerkt moet nog worden dat, als eens de zin eener wetsbepaling voor den uitlegger vaststaat, deze niet bij de toepassing kan ontkomen aan mogelijk door den wetgever niet voorziene consequenties der bepaling, op grond dat ze zouden leiden tot konflikt met de Grondwet. Dan toch geldt het niet meer het vaststellen deitwijfelachtige beteekenis van eenig voorschrift, maar gevolgtrekkingen voortvloeiend uit de onschendbare wet, als zoodanig noodzakelijk in die onschendbaarheid deelend. Echter moet het dan niet twijfelachtig zijn dat de consequentie zelf onvermijdelijk is.

Voor het overige kan het antwoord op de twee in den aanhef van dit no. 23 gestelde vragen in verschillenden zin uitvallen, naarmate van het standpunt, waaruit men ze beschouwt. Aan den eenen kant kan men vooropstellen dat in de opdracht van competentie in het algemeen ligt opgesloten die tot beoordeeling van al wat noodig is voor de beslissing van het geschil, dus ook van alle praejudicieele geschilpunten; vgl. nos. 1—3 hier-

Sluiten