Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag. Het kan dus slechts dan als een rechtsgeldig gevolg van de hier bedoelde bepalingen worden erkend, waar dit steunen zou op de Rijkswet. Daarom is, ook als men in eigen aangelegenheden der korporatie rechtspraak door baar organen erkent, en meent dat ook aan die uitspraken gezag van gewijsde toekomt (vgl. daaromtrent op art 1 R. O. sub G § 1, en hierna sub § 3),— in dit geval toch niet toepasselijk hetgeen is gezegd in no. 4 sub /"hiervóór. Er zal dan — is er hier geen sprake van opdracht aan scheidslieden — concurreerende competentie ten opzichte van het praejudicieele geschilpunt moeten worden aangenomen; vgl. sub no. 4 t. a. p. en Alg. Begins. X no. 1 a, h. e. jo. no. 2 aldaar.

Wettelijke verordeningen daarentegen steunen zelf op de Rijkswet. \ eroorlooft deze laatste bij zulk een verordening competentie bij uitsluiting op te dragen (vgl. b. v. het slot van art. 153 Prov. wet), dan is de in zulke opdracht gelegen onttrekking aan de rechterlijke macht van een voor deze praejudicieel geschilpunt, dat door haar ^enkel met gezag van gewijsde zou kunnen worden beslist, ook gegrond op de Rijkswet. Hieromtrent geldt dan het sub no. 23 hiervóór gezegde.

Een andere vraag is die naar de gebondenheid der rechterlijke macht aan de voorafgaande beslissing van eenig korporatief orgaan, waarover hierna sub § 3. Vgl. ook het hier volgend no. 25 sub a.

lei toelichting van het voorafgaande worde nog eens verwezen naar het sub no. 20 hiervóór geciteerde vonnis Ktg. AVoerden van 18 Dec. 1854 met het in bedoeld no. 20 daarbij aangeteekende, alsmede naar Ktg. Schoonhoven 30 Okt. 1877, vermeld sub nos. 1 en 12 hiervóór. Bij dit laatste vonnis besliste de Kantonrechter in een vordering tot betaling, o. a. van huur voor een kerkelijke zitplaats, louter praejudicieel over de betwiste hoedanigheid van het eischend kerkbestuur, ondanks de opdracht van dit punt bij reglement aan een kerkelijk rechter. Wel hield de Kantonrechter die laatste opdracht voor onwettig (vgl. op art. 1 R. O. sub G nos. 3 en 10), maar, had hij hierover anders

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1. 16

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten