Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolgtrekking uit een andere wetsbepaling (de competentieopdracht voor het praejudicieele geschilpunt als onderwerp van een afzonderlijk geding), waaruit zij echter niet noodzakelijk voortvloeit, — daar men immers ook tot niet-ontvankelijkheid kan concludeeren. Dit klemt in het bizonder, voorzoover de algemeene competentiebepaling (art. 2 R. O.) door de Grondwet is voorgeschreven; vgl. no. 23 hiervóór. — Een tweede bezwaar tegen incompetentie is hier het mogelijke gevolg dat eventueel niemand competent is, ondanks de wettelijke aanwijzing in het algemeen, voor het onderwerp der ingestelde vordering. Immers behoeft dit niet noodzakelijk te behooren tot de competentie van den voor het praejudicieele geschilpunt als onderwerp van afzonderlijk geding bij uitsluiting aangewezene; in den regel zal 't juist niet het geval zijn, hoewel het tegendeel denkbaar is: men stelle dat art. 2b R. O. naar het Ontwerp-wijziging van 1905 wet wordt, en dan voor de hoofdzaak concurreerende competentie zou ontstaan, vgl. Alg. Begins. X no. 1. — Bij het voor-afgaande vgl. PRAzaK in Archiv für öffentliches Recht 4 p. 286—287. — Op bovenstaande gronden zou ik meenen dat in gevallen als in dit no. 25 sub c bedoeld, de rechter, zijn competentie voor de ingestelde vordering of klacht aannemend, deze zal hebben te verklaren niet-ontvankelijk (wil men: eischer of klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering of klacht).

d. De hierboven bedoelde niet-ontvankelijkheid zal, — als na een beslissing van het praejudicieele geschilpunt door den daarvoor competenten rechter, die der hoofdzaak hieraan is gebonden, waaromtrent vgl. § 3 hierna —, moeten zijn een niet-ontvankelijkheid vooralsnog, n.1. totdat de praejudicieele kwestie afzonderlijk is beslist, zoo dit niet reeds is geschied. — De wet kan ook voorschrijven schorsing der hoofdzaak tot na uitwijzing van het praejudicieele geschilpunt, vgl. § 36 der Mem. v. Toel. op het Ontw. Wetb. v. Admin. Rv. 1905 jo. art. 159 van dit Ontwerp, alsmede art. 6 Sv. Maar zonder dat het bij de wet bepaald is, kan dit niet gelden. Vgl. ook Gaupp-Stein, Die C. P. O. für das deutsche Reich, 6e—7e Aufl. (1904), I p. 379

Sluiten