Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Begins. XA I. Over het oordeel der administratie als element van een delikt, zie sub Alg. Begins. XVII. Vgl. aldaar ook verschillende beslissingen, waarbij is aangenomen dat uit den samenhang der wettelijke bepalingen moest afgeleid dat het administratief gezag had uit te maken of aanwezig waren zekere feitelijke omstandigheden, voor de toepassing der strafwet vereischt. — Zoo H. R. 24 Juni 1895 W. 6701 enz., betreffende het besmet zijn van hoeven (art. 29 wet 20 Juli 1870 Stbl. 131). Zoo H. R, 31 Dec. 1867 W. 2974 p. 2 enz., betreffende het heerschen van veeziekten (artt. 1 en 3 van het nu ingetrokken K. B. van 20 Dec. 1865 Stbl. 134). Zoo ook Ktg. Gron. 31 Jan. 1885 R. B. en B. 188o C p. 162, en andere vonnissen betreffende de bouwvalligheid van een huis (art. 471 no. 5 C. P.). — Moet men bij zulke beslissingen het er voor houden dat zij als kenmerk der overtreding beschouwden de bedoelde feitelijke omstandigheid zelf, en niet het oordeel hierover der administratie, aan wie echter zou zijn voorbehouden de beslissing daaromtrent, dan zijn zij een toepassing van de reserve, bij het in no. 27 hiervóór vermelde arrest van 1885 gemaakt, doch tevens van zeer twijfelachtige juistheid. Meer voor de hand echter schijnt het te liggen dat in dergelijke gevallen de wettelijke bepalingen zóó zijn uitgelegd, (daargelaten hier de waarde dier uitlegging, welke vóór ieder geval afzonderlijk is te beoordeelen), dat daarbij zou zijn bedoeld als eigenlijk kenmerk der overtreding te stellen het oordeel deiadministratie over de aanwezigheid van zekere feitelijke omstandigheden. Maar in dat geval is ook aan de administratie niet voorbehouden de beslissing over een kenmerk der overtreding, en zijn de bedoelde beslissingen dus geen toepassing der meergemelde ïeseive van het arrest van 1885. — Vgl. ook no. 19 hiervóór.

35. I. Met den stelregel dat de strafrechter de aanwezigheid der elementen van het delikt zelfstandig onderzoekt, schijnt in strijd, zoo niet de beslissing, dan toch de motiveering van Ktg. Breda 8 Febr. 1868 W. 3033, G. st, 886, W. B. A. 1018, bevestigd door Rb. Breda 26 Mei 1868 W. 1.1. — De Kantonrechter overwoog dat de strafrechter zou treden in den administratieven

Sluiten