Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33. b. In dezelfde lijn als de motiveering der in het vorig no. 36 geciteerde arresten over de Drankwet, ligt die van het volgende arrest, dat daarom eveneens als toepassing schijnt te moeten beschouwd van de meergemelde reserve, in 1885 door den H. R. geformuleerd; vgl. den aanhef van no. 36 hiervóór. Bedoeld wordt hier H. R. 23 April 1900 W. 7438, R.spr. 184 § 70, v. d. Hon. Sr. 1900 p. 192, P. v. J. 1900 no. 71, G. st. 2543, W. B. A. 2677 (bestreden in G. st. 2576). Dit arrest overwoog n.1. dat de strafrechter, bij toepassing van art. 22 sub b der Hinderivet (zie nu voor den tekst het K. B. van 15 Dec. 1896 Stbl. 222, en de wet van 24 Juni 1901 Stbl. 161), niet heeft te onderzoeken of de door het administr. gezag gestelde voorwaarden geoorloofd waren, — dit op grond dat art. 15 dier wet het oordeel èn over de wettigheid èn over de doelmatigheid der voorwaarden in hoogste ressort opdraagt aan de admin. macht. — Ygl. hieromtrent nader no. 42 sub c hierna.

38. c. De in nos. 36 jo. 37 hiervóór aangeduide twijfel, of men al dan niet te doen heeft met een toepassing der bij het in no. 27 geciteerde arrest van 1885 gemaakte reserve, kan ook rijzen voor de volgende arresten. Daarbij gold het gemeenteverordeningen op den dienst bij de brandweer, die de beslissing over de aanwezigheid der gevallen, waarin men volgens de verordeningen niet tot dezen dienst mocht worden aangewezen, opdroeg respektievelijk aan B. en W. en Gem.-Raad, of aaneen brandraad.

Dat dan, als ten laste is gelegd het als dienstplichtige bij de brandweer afwezig blijven, de strafrechter niet zelfstandig heeft te onderzoeken of beklaagde valt onder een der in de verordening aangeduide uitzonderingen op den dienstplicht, is beslist door H. R. 1 April 1902 W. 7750, R.spr. 190 § 49, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 78, P. v. J. 135, met beroep op art. 1796 Gem.wet, casseerend het implicite in anderen zin gewezen vonnis van Ktg. Middelb. 25 Sept. 1901 W. 7656, W. B. A. 2734, welk vonnis was bestreden in G. st. 2621. Ygl. ook G. st 2654 (zie aldaar over 1796 Gem.wet).

Sluiten